CultureleDiversiteit300'Cultuur als verklaringsmiddel zal eerder de grenzen tussen mensen uit verschillende etnische groepen in stand houden dan een verbinding bewerkstelligen. En juist deze verbinding tussen culturen is een essentiële voorwaarde voor het ontwikkelen van de gevoeligheid die nodig is om culturele grenzen te kunnen overstijgen. (1)

Essentialistisch discours

In het eerste deel van dit boek start Halleh Gorashi met een hoofdstuk over het dominante discours in Nederland. Dat karakteriseert zij (anno 2010) als essentialistisch. In deze benadering wordt cultuur eerder gezien als datgene wat ons maakt, dan als datgene wat door ons gemaakt wordt. Binnen een essentialistische benadering van culturele identiteit wordt de culturele inhoud als allesbepalend gezien voor de handelingen van individuen en geen ruimte gelaten voor individuele interpretaties van en creativiteit in culturele achtergronden. Alle andere mogelijke factoren die het handelen kunnen verklaren worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Het is deze benadering die, volgens Gorashi, vanaf de jaren 70 tot aan 2000 opgeld heeft gedaan in het Nederlandse migrantenbeleid. De combinatie van achterstandsdenken – gestimuleerd vanuit de verzorgingsstaat – en een culturaliseringstendens – gevoed door de verzuilingsgeschiedenis – zijn hardnekkige componenten geweest van het categorale denken in Nederland die in de loop der jaren alleen maar sterker zijn geworden. Vanaf 2000 is er in het maatschappelijke debat, volgens Gorashi, echter een verandering van toon waar te nemen die zij karakteriseert als 'het nieuwe realisme'. In dit nieuwe realisme wordt tolerantie openlijk ter discussie gesteld waardoor de sfeer in Nederland ten aanzien van migranten is verhard. In deze benadering wordt assimilatie (het opgaan in de Nederlandse cultuur, met verlies van de eigen culturele identiteit) gezien als de oplossing voor alle maatschappelijke problemen. Een idee dat gebaseerd is op de opvatting dat de Europese cultuur superieur is. Hoewel deze nieuwe benadering inhoudelijk weinig nieuws bevat, is het vooral de vorm en de mate van openlijkheid die is veranderd. Deze harde aanpak is volgens Gorashi terug te voeren op het feit dat migranten – onder invloed van de essentialistische benadering - in de Nederlandse samenleving nooit helemaal als volwaardige burgers zijn gezien en benaderd, wat heeft geleid tot een groeiende stroom aan negatieve gevoelens jegens migranten. Dit heeft de emotionele aansluiting van migranten bij de Nederlandse samenleving belemmerd. 

Voorbij het categorale denken?

Deze vraag vormt het thema van het tweede hoofdstuk. Gorashi legt uit dat het categorale denken op zichzelf niet zozeer het probleem vormt. Het verabsoluteren van contrasten echter wel. In dit geval culturele contrasten. Daartegenover plaatst zij het inzicht dat culturele identiteit geen afgerond geheel is. De wijze waarop individuen met de inhoud van hun cultuur omgaan, ligt dan ook niet vast. Het individuele groeiproces wordt beïnvloed door contextuele factoren. Wanneer deze veiligheid en vertrouwen oproepen is, volgens Gorashi, de kans groter dat individuen zich openstellen voor verandering en verbinding. Een vorm van verbondenheid die andere banden (bijvoorbeeld transnationale verbanden) niet uitsluit, maar juist bij elkaar brengt. Het gevaar van het categorale denken en het nieuwe realisme is dat het stigmatiseren van een grote groep nieuwe Nederlanders sterker wordt, waardoor zij (nog) minder de kans krijgen hun maatschappelijke verbondenheid vorm te geven.

Voorwaarden voor nieuwe bronnen van gemeenschappelijkheid

Deze constatering voert tot een bespreking van de voorwaarden voor het creëren van nieuwe bronnen van gemeenschappelijkheid (zonder de verschillen uit het oog te verliezen) om voorbij te komen aan het categorale denken (hoofdstuk 3 en 4, deel 1). Als eerste bron van gemeenschappelijkheid karakteriseert Gorashi de democratie en daarbinnen tolerantie als essentie van de democratie. Gorashi pleit daarbij voor een meer betrokken vorm van tolerantie die niet alleen ruimte laat (passief) voor de ander maar ook ruimte maakt (actief). Hiervoor is het nodig tijdelijk de waarheid van het eigen oordeel op te schorten om naar de ander te luisteren door achter onze eigen overtuiging tijdelijk een vraagteken te zetten. Een dergelijke benadering opent de mogelijkheid van een gemeenschappelijke en tijdelijke tussenruimte (in-betweenness) waarin uitwisseling van perspectieven en het mogelijk opdoen van nieuwe ideeën en het maken van nieuwe verbindingen de ruimte krijgt. En hoewel burgers de dragers van democratie zijn is het, volgens Gorashi, essentieel dat de overheid veilige ruimtes creeert in het maatschappelijke middenveld 'zodat innovatieve producties van verhalen en interacties in het veld plaats kunnen vinden' (28). De overheid zou hierin niet primair een dwingende, maar vooral een faciliterende en bewakende rol moeten hebben. Een tweede bron van gemeenschappelijkheid ziet Gorashi in het gezamenlijk voeren van een inhoudelijk debat over de betekenis en gevolgen van polarisatie in de Nederlandse samenleving. Hiertoe is het nodig veilige tussenruimtes te creëeren waarin op basis van redelijkheid burgers open de discussie kunnen aangaan zonder zich hoger of beter te achten dan anderen. Hiertoe roept Gorashi politici, beleidsmakers, media en opinieleiders op.

Nederland en VS vergeleken

In het tweede deel presenteert Gorashi de resultaten van empirisch onderzoek naar Iraanse vrouwen in de VS en in Nederland. Met dit deel wil Gorashi de lezers inspireren enigszins afstand te nemen van de geschetste basisassumpties die ten grondslag liggen aan het Nederlandse denken over migratie. Centrale vraag in dit tweede deel is: Is er iets van de VS te leren? Het antwoord van Gorashi op deze vraag is bevestigend. Uit eerder onderzoek (t.b.v. haar proefschrift) was gebleken dat Iraanse vrouwen in Nederland, ondanks hun hoge inzet en participatie, niet in staat zijn geweest een emotionele band met Nederland te ontwikkelen, terwijl dat Iraanse vrouwen in de VS wel is gelukt. Naar aanleiding van deze constatering behandelt Gorashi in dit hoofdstuk de twee belangrijkste factoren voor dit verschil: de ruimte voor diversiteit binnen de dominante vertogen over migratie in de VS en in Nederland (1) en de constructie van de nationale identiteit in de VS en in Nederland (2).

Tussenruimtes voor vrouwenemancipatie, media, organisaties en inburgering

Vooral het laatste deel van het boek vind ik interessant. In dit deel doet Gorashi pogingen een inclusieve benadering van diversiteit te ontwikkelen voor vier maatschappelijke thema's, te weten: vrouwenemancipatie, media, organisaties en inburgering. Centraal daarbij staat de notie van het creëren van tussenruimtes, zoals eerder in het boek beschreven.

Ten aanzien van vrouwenemancipatie merkt Gorashi op dat migrantenvrouwen binnen de Nederlandse samenleving vooral als slachtoffers worden gezien die gered moeten worden voor zogenaamd 'cultuurgebonden geweld' zoals 'eerwraak' en 'gedwongen huwelijken'. De provocerende toon van de huidige mainstream feministen speelt hierbij een belangrijke rol. Deze provocerende taal gaat, aldus Gorarshi, niet in tegen heersende denkpatronen over gender en migratie in Nederland maar ligt juist in het verlengde daarvan. Dit omdat de huidige feministische beweging non-reflectief is geworden en de diversiteit van de beleving van migrantenvrouwen nooit kan dekken. Zij gaat dan ook aan de migrantenvrouwen voorbij. Migrantenvrouwen hebben te maken met een dubbele vorm van emancipatie: enerzijds als lid van een minderheidsgroep en anderzijds de emancipatie als vrouw. Veel van deze vrouwen proberen hun geloof en cultuur langzaam te veranderen door ruimte binnen de eigen groep op te eisen. Gorashi pleit er dan ook voor meer te luisteren naar de migrantenvrouwen zelf en de diversiteit van hun keuzes en hun wegen tot emancipatie te respecteren en te faciliteren in plaats van deze tegen te gaan door migrantenvrouwen in de slachtoffer rol te duwen. Dergelijke beeldvorming heeft als consequentie dat de vrouwen niet vanuit hun mogelijke competenties worden benaderd en niet in staat worden geacht zelf oplossingen aan te dragen voor hun problemen. Vrouwen(zelf)organisaties worden dan ook vaak niet als partners gezien om mede beleid en projecten vorm te geven. Dit heeft overbelasting van migrantenvrouwen tot gevolg die binnen hun organisaties projecten uitvoeren die van bovenaf zijn opgelegd en aanleiding geven tot emancipatie- en integratiemoeheid. Om hierin verandering te brengen pleit Gorashi voor het creëren van tussenruimtes die een warme en vertrouwde rustplaats kunnen zijn. In een dergelijke ruimte kunnen vrouwen kennis uitwisselen zonder meteen defensief te hoeven worden. Dergelijke ruimtes kunnen nieuwe ideeën en verbindingen tot stand brengen tussen vrouwen van verschillende generaties en met diverse achtergronden. Volgens Gorashi ligt juist hierin de grootste uitdaging voor de vrouwenbeweging in Nederland.

Met het oog op media en wetenschap pleit Gorashi voor een benadering voorbij de (kijk)cijfers. De media berichten niet los van het dominante maatschappelijke discours. Het categorale denken als historische en maatschappelijke tendens doet zich ook in de media gelden. De verschillen worden uitvergroot en er is weinig aandacht voor wat ons bindt. Eenzijdige benaderingen en exclusieve aandacht voor negatieve gebeurtenissen onderstrepen de reeds bestaande beeldvorming. Ze bevorderen, aldus Gorashi, zelfs de groei van antimigrantenpopulisme en de perceptie van culturele dreiging. Daarnaast komen migranten zelf weinig aan bod in de media, tenzij het om extreme gevallen gaat. De representatie van verschillende groepen in de media is essentieel voor de wijze waarop het denken over diversiteit in Nederland wordt vorm gegeven. Ruimte voor andersdenkenden, mensen die de basisassumpties van een debat ter discussie stellen, zou de status quo ter discussie kunnen stellen en de doorwerking van die status quo kunnen helpen te doorzien. Sociale wetenschappers zouden hieraan een bijdrage kunnen leveren. Naast analyse van de effecten van de media kunnen de resultaten van sociaalwetenschappelijk onderzoek een belangrijke rol gaan spelen bij de onderbouwing van beleid en in discussies binnen het publiek domein. Cijfermatig onderzoek is echter, aldus Gorashi, niet geschikt om het inzicht in de belevingswereld en ervaringen, de processen van betekenisgeving, van migrantengroepen in Nederland te vergroten. Dit soort onderzoek zou samen moeten gaan met theoretisch en etnografisch onderzoek naar de belevingswereld van migranten. Er zou meer ruimte moeten worden geboden voor nieuwe visies uit de migratie- en diasporastudies. Zij zouden een basis kunnen leggen voor maatschappelijke verbindingen. Door het creeren van alternatieve tussenruimtes kan de verbinding tussen andersdenken uit verschillende sectoren een kans krijgen. Gorashi pleit dan ook voor het realiseren van een alliantie tussen andersdenkenden uit de mediawereld, maatschappelijke velden en de wereld van de wetenschap om op krachtige wijze nieuwe gedachten uit de marge dichter bij het centrum te brengen en op deze wijze een gemeenschappelijk alternatief (tegen)vertoog te ontwikkelen waarmee de vanzelfsprekendheid van het dominante vertoog doorbroken kan worden.

Ten aanzien van organisaties en talent zet Gorashi zich af tegen een diversiteitsbeleid dat vertaald wordt in doelgroepenbeleid of de discriminatiebenadering. Beide benaderingen zijn gericht op een kortetermijnaanpak van diversiteitsvraagstukken, aldus Gorashi waardoor geen integrale aandacht wordt besteed aan de betekenis van diversiteit voor organisaties op de lange termijn. Migranten worden in deze benaderingen niet vanuit hun competenties benadert maar vanuit hun status als 'allochtoon'. Hierdoor wordt vaak wel een hogere instroom van migranten gerealiseerd maar geen doorstroom naar hogere functies. Ook wordt uitstroom vanuit deze benadering niet tegen gegaan. Pas wanneer vanuit een langetermijnperspectief kan een dergelijke aanpak succesvol zijn, aldus Gorashi. Binnen organisaties kunnen tussenruimtes die een langetermijnperspectief faciliteert op verschillende manieren worden gecreëerd. Centraal daarbij staat het loslaten van de overmatige nadruk op cultuurverschil en achterstand en het vertrekken vanuit de vraag wat migranten de organisatie te bieden hebben.

Met het oog op inburgering schuift Gorashi het museum naar voren als mogelijke tussenruimte. Musea kunnen migranten toegang helpen krijgen tot de nieuwe horizon van de samenleving waaraan zij participeren door taal niet allereest statisch te benaderen maar als drager van dynamische processen. Naar aanleiding van museaobjecten kunnen 'vrije' gesprekken ontstaan tussen deelnemers en docenten waarin taal verbonden wordt aan een veelvoud van werelden. Deze benadering biedt voor migranten de mogelijkheid 'zichzelf te zien en door anderen gezien te worden, als vertalers van de diverse referentiekaders waarin ze zich dagelijks moeten bewegen. Hierdoor kunnen ze hun potentiële kracht, het gegeven van "in-betweenness", omzetten naar de praktijk en kunnen ze fungeren als vernieuwers, als reizigers tussen ten minste twee culturen.' (123)

Halleh Gorashi, Culturele diversiteit, Nederlandse identiteit en democratisch burgerschap is een uitgave van SDU Uitgevers. Het is het vierde deel in de reeks Multiculturele samenleving in ontwikkeling (MSO). Deze reeks beschrijft in verschillende thematische delen de multiculturele ontwikkelingen in de samenleving. De boeken bevatten praktische tips en adviezen om beleid en praktijk succesvoller te maken.