Superdiversiteit300Vanaf 1989 gaat, volgens de auteur van dit boek, een nieuwe fase in. De fase van de neoliberale globalisering. Wat deze tijd nieuw maakt is de intensiteit, de snelheid, de kwaliteit en de kwantiteit waarmee de globalisering zich ontplooit. Hierdoor ontstaan nieuwe migratiepatronen en migratietrajecten waardoor de mensenlandschappen in de 21e eeuw steeds meer globaal verbonden zijn. 'De homogene natie is vandaag meer dan ooit pure fictie, we leven in tijden van superdiversiteit' (p. 8). Kernwoorden van deze superdiversiteit zijn: hypermobiliteit, complexiteit en geglobaliseerde verbondenheid.

Superdiversiteit: een realiteit

Doelstelling van het boek is de complexiteit van superdiversiteit te beschrijven en een kader aan te reiken om deze nieuwe realiteit verstaanbaar te maken. Hiertoe zetten de auteurs de methode van het taalkundig landschapsonderzoek in. In deze methode 'wordt taal niet gezien als iets dat zich louter voordoet in de hoofden van mensen, maar als een inherent deel van onze fysieke omgeving' (p.9). De auteurs wenden op deze manier taal en taalgebruik aan als instrumenten om de realiteit empirisch te onderzoeken. Taal-in-beweging staat hierbij centraal. De nadruk ligt op het opmeten van de complexiteit en veranderlijkheid, op meertaligheid en migratie, op gelaagdheid van wijken en stratificatie in deze wijken.

Talen en taaluitingen in een wijk worden in de etnografische context geplaatst. Ruimte is immers altijd iemands ruimte, een historische ruimte met codes, verwachtingen, normen en tradities. Zo is elke ruimte ook steeds een machtsruimte die gecontroleerd wordt door mensen. Steden en wijken zijn dan ook poly centrisch van aard, iedere wijk en iedere stad bestaat uit meerdere machtsruimtes van mensen met verschillende verwachtingen ten aanzien van zijn gebruikers.

Om inzicht te krijgen in de wijze waarop taal en taaluitingen functioneren zijn de auteurs als 'antropologen' aan de slag gegaan in de wijken waarin ze zelf al vele jaren wonen en/of werken. 

De auteurs willen verder met dit boek een heel concreet doel dienen, namelijk het bieden van nieuw perspectief op de werkelijkheid in de onderzochte wijken. Dit willen zij omdat ze van mening zijn dat de huidige kijk van politici en beleidsmakers op de samenleving hopeloos verouderd is en deze verouderde visie uiterst negatieve effecten genereert.

Nieuwe maatschappelijke realiteit vraagt om een nieuw paradigma

In een voorafgaande beschouwing wordt de term superdiversiteit als nieuw paradigma verheldert. Het concept dat door Jan Blommaert werd geintroduceerd blijkt sindsdien vaak als synoniem van 'de multiculturele samenleving' te worden gebruikt. De auteurs zijn echter van mening dat de strekking van het begrip op deze wijze niet goed begrepen wordt. Het 'super' in superdiversiteit heeft, zo benadrukken de auteurs, niet allereerst een positieve connotatie. Eerder verwijst dit 'super' naar de omvangrijke complexiteit die gegeven is met de enorme diversificatie die schuilgaat in de diversiteit. 'Super' in 'superdiversiteit' verwijst dan naar een hogere grootte of orde, zoals bijvoorbeeld in 'supernova'.

Zo'n nieuw paradigma is nodig vanwege de fundamentele wereldwijde veranderingen in de laatste twee decennia. De oude paradigma's voldoen niet meer om de nieuwe maatschappelijke realiteit te beschrijven. Zo maakt het concept 'multiculturele samenleving' de realiteit, volgens de auteurs, ondoorzichtig omdat het enkele vooronderstellingen impliceert die de bestaande complexiteit niet afdoende vatten.

'Het onderzoek naar superdiversiteit ontrafelt de zogenaamde 'details', omdat die details in de regel heel belangrijk zijn om te begrijpen hoe mensen leven en hoe ze zich in gemengde buurten met andere mensen verhouden' en 'wat tot voor kort als uitzonderlijk of afwijkend werd gezien – denk aan meertaligheid, het gebruik van diverse talen door elkaar, of het onderhouden van verschillende groepsidentiteiten – wordt in superdiversiteit beschouwd als de norm. En wat tot voor kort als 'de norm' werd opgevat – eentalige mensen met een duidelijke enkele identiteit en cultuur – is in de realiteit een uitzondering, een afwijking zelfs' (p.18).

Diversificatie van de diversiteit

De genoemde diversificatie van de diversiteit ontstond onder invloed van nieuwe migratiestromen na het einde van de Koude Oorlog, de verhoogde mobiliteit en de opkomst van het internet en andere mobiele communicatietechnologieën. Deze diversificatie treedt niet alleen op tussen groepen met verschillende etnische achtergrond, maar ook binnen deze groepen. Superdiversiteit stelt de diverse invloeden centraal die samenkomen in het leven van concrete mensen en die hun leven bepalen. Te denken is hierbij aan verschillen ten aanzien van geslacht, genderrollen, politieke voorkeur, klasse, leeftijd en religie maar ook aan de status van de migrant en de bijbehorende (beperkte) rechten van de nieuwkomer, zijn onderwijs- en arbeidservaringen en ervaringen met diverse administraties, de plaats waar migranten wonen en hun relatie met overheidsinstellingen.

Het ontstaan van transnationale sociale relaties

En, zo merken de auteurs op, niet alleen de vraag 'Wie is de migrant?' is onbeantwoordbaar, ook de vraag 'Hoe en waar leeft de migrant?' is dat. Het internet en mobiele technologie spelen daarbij een belangrijke rol. Migranten maken intensief gebruik van deze technologieën, zowel in het land van herkomst als in het land van aankomst. Op deze manier ontwikkelt de migrant nieuwe sociale en culturele gedragspatronen die voor een belangrijk deel virtueel van aard zijn. Personen die hier een geïsoleerd bestaan leiden kunnen een rijk sociaal leven hebben wanneer ze eenmaal achter hun pc zitten.

Deze verandering in communicatiepatronen houden ingrijpende sociale, culturele, psychologische, pedagogische en politieke veranderingen in wat op zijn beurt grote gevolgen heeft voor cultuurproductie, voor identificatie en identiteitsvorming. Er ontstaan op deze manier transnationale sociale relaties en vormen van identiteitsproductie die transnationaal van aard zijn. Van een homogene nationale cultuur is op deze manier geen sprake meer, als deze al ooit heeft bestaan, zo vragen de auteurs zich af.

Opbouw van het boek

In het eerste deel van het boek staat de vraag hoe superdiversiteit zich in België manifesteert centraal. Na een inleidend hoofdstuk waarin cijfermatig ontwikkelingen worden gepresenteerd volgen drie hoofdstukken waarin de auteurs op realistische wijze hun eigen ervaringen beschrijven in wijken van drie Belgische steden: de Fortstraat in Brussel; de Wondelgemstraat in Gent en de Statiestraat in Antwerpen.

Het tweede deel beschrijft de uitdagingen van superdiversiteit aan de hand van een viertal hoofdstukken. In Superdiversiteit en de stilte wordt opgemerkt dat superdiversiteit volgens de gangbare paradigma's moet leiden tot een 'onleefbare' samenleving. 'Het dominante discours over de multiculturele samenleving ziet maar één uitweg om tot een 'leefbare' samenleving te komen: alle mensen in dit land moeten zich bekennen als Vlamingen onder de Vlamingen.' (p.151) Geen van de in het boek onderzochte wijken voldeed echter aan dit anachronistische ideaal en toch blijken ze 'leefbaar' te zijn. Benadrukt wordt dat superdiversiteit geen doelstelling is of iets wat gevierd moet worden. Superdiversiteit is geen oplossing of ideaal. 'Het feit dat superdiverse wijken leefbaar zijn betekent niet dat er geen uitbuiting, ongelijkheid, armoede of andere schrijnende situaties bestaan. Het bewijst wel dat een superdiverse wijk op zich geen probleem is. Wat wel een probleem is – en dat is het thema van het tweede deel van dit boek – is dat het ontstaan van superdiversiteit in ons land (te weten: België,HAH) parallel loopt met de toename van ongelijkheid. En ook dat is niet meteen een gevolg van die superdiversiteit, wel een gevolg van het gevoerde beleid inzake deze bestaande realiteit.' (p.152)

Realisme als ideologie gaat in op de drang naar herhomogenisering (de nationalistische reflex) die samen gaat met een repressie- en disciplineringsapparaat waarin plichten worden afgedwongen. Een dergelijk nationalisme kan zich vertalen in de problematisering van de migranten in die samenleving en hun nakomelingen waarbij hun aanwezigheid, maar vooral hun cultuur steeds meer worden beschouwd als de oorzaak van vele samenlevingsproblemen. Aangestuurd wordt daarbij op culturele integretatie van ieder invidivu afzonderlijk: de nieuwkomer moet zich onze waarden, normen en taal eigen maken. De auteurs herkennen deze situatie in België en zien haar als een tijdbom. Dat alleen antimigratie en inburgering realistisch zijn wijzen zij als ideologisch van de hand. Als echt probleem verwoordden zij de onaangepastheid van onze structuren aan het hypermobiele leven van de 21e eeuw. Beleid dat gericht is op stabiliteit, langdurig verblijf en productie van homogeniteit is compleet onaangepast aan de realiteit die zich inmiddels voordoet. Die vraagt om een beleid en structuren die elastisch zijn. Structuren die kunnen omgaan met veranderlijkheid, met superdiversiteit.
Wanneer neoliberaliserings- en homogeniseringspolitiek dan in elkaar grijpen heeft dit verstrekkende gevolgen. Beide ideologieën produceren, aldus de auteurs, ongelijkheid en uitsluiting en versterken elkaar. Migranten en etnische of culturele minderheden maken een grotere kans om tot het precariaat te behoren, maar ook anderen. Het precariaat voelt zich door gebrek aan rechten en gebrek aan verbondenheid met de staat, bedrijven, vakbonden en sociale organisaties meer en meer een groep op zichzelf. En deze groep is, aldus de auteurs, globaal van aard, net als het economisch systeem (het neoliberalisme) dat het heeft gecreëerd. (p.171) Het betreft wereldwijd een groeiende groep mensen, een klasse-in-wording, die dagelijks moet vechten om in de samenleving te integreren en daarbij op zichzelf aangewezen is, niet gesteund door de staat of vakbonden. De groei van deze groep wijst op een toename van dualisering in deze samenlevingen.

Democratie in tijden van superdiversiteit beschrijft de contouren van een toekomstperspectief voor een goede samenleving, 'een samenleving die de superdiversiteit een plaats geeft terwijl ze de democratie uitbouwt en verdiept.' (p. 175) Dit door terug te grijpen op radicale verlichtingsdenkers als Paine, Condorcet en Jefferson en in te zoomen op thema's als democratie, mensenrechten en universalisme. Er wordt nagegaan wat die historische realiteit betekent voor het democratisch gehalte van de huidige samenleving. Daarbij wordt een pleidooi gevoerd voor het investeren in een utopistiek rond democratie en superdiversiteit, hierin worden mogelijke historische alternatieven geanalyseerd op grond waarvan betere en rechtvaardiger alternatieven uitgedacht worden.

Tenslotte worden in Anachronismen in ons denken  de inzichten uit de voorgaande hoofdstukken samengevat en conclusies getrokken. Ook doen de auteurs in dit hoofdstuk de oproep om de feitelijke toestand te hanteren als bepalend voor denken, handelen en beleid. 'Het debat over migratie en diversiteit is in dit land (te weten: België, HAH) – en lang niet enkel hier – permanent en structureel belemmerd door een gebrek aan kennis van zaken en een minachting van empirische feiten. Men debatteert over dit thema al decennia lang aan de hand van illusies, wensdromen en stereotypen. Deze 'oude vormen en gedachten' zijn dringend aan herziening toe.' (p. 202).

Superdiversiteit en democratie van Ico Maly, Jan Blommaert en Joachim Ben Yakoub verscheen bij Uitgeverij EPO in 2014. ISBN 978 94 91297 66 3.

Ico Maly is doctor in de cultuurwetenschappen, coördinator van KIf Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits. 
Jan Blommaert is hoogleraar taal, cultuur en globalisering aan de universiteiten van Tilburg en Gent. 
Joachim Ben Yakoub is stafmedewerker beeldvorming en diversiteit bij de Pianofabriek in Brussel en doctoraal onderzoekers bij de Middle East And North Africa Research Group.