RuimteVoor300Met de bundel Ruimte voor maatschappelijke spiritualiteit. Een verkenning presenteren wetenschappelijk medewerkers van het Titus Brandsma Instituut te Nijmegen hun eerste verkenningen op het terrein van maatschappelijke spiritualiteit. Daarmee beogen zij een zoektocht te ondernemen naar nieuwe vormen van christelijke spiritualiteit in een seculiere, volgens sommigen post-seculiere, tijd. (p. 5)

Zij doen dat tegen de achtergrond van de schijnbare afname van de rol van actieve congregaties in het maatschappelijk leven.

Methodisch uitgangspunt van de bundel vormt de aanname dat de dynamiek van actie en contemplatie, die de christelijke spiritualiteit kenmerkt, doorgaat in wisselende gedaantes en samenstellingen. Het gaat er dan volgens hen om, deze nieuwe vormen van christelijke spiritualiteit te herkennen en te analyseren. Het boek biedt daarom geen eenduidige theorie van de maatschappelijke spiritualiteit, het gaat om een verkenning.

In drie bijdragen wordt vervolgens vanuit verschillende perspectieven gezocht naar dergelijke nieuwe vormen van christelijke spiritualiteit:

De eerste bijdrage zoekt naar de eigen taak van spiritualiteit ten aanzien van arbeid. De auteur (Inigo Bocken) ziet arbeid daarbij, op grond van de christelijke traditie, als contemplatie. Arbeid is dán creatief wanneer men haar niet begrijpt als louter uitwendige realisatie en herhaling van een reeds bestaand voorbeeld, maar als iets oorspronkelijks, iets wat voor de eerste keer zo gedaan werd (p. 19). In die zin is echte arbeid contemplatie; en omgekeerd lijkt  ‘echte’ contemplatie ook nooit onafhankelijk van het actieve doen te kunnen plaatsvinden. Het gaat er daarbij om dat degene die iets maakt, zich van zijn eigen creativiteit bewust kan worden (zienswijze) – en voorzover dat het geval is, ook goddelijke creativiteit tot uitdrukking brengt. (p. 19)

In de ‘actieve contemplatie’ van de latere Vincentius (‘klooster binnenstebuiten’) en Ignatius (contemplatio actione) ziet de auteur een antwoord op de uitdagingen die de moderniteit met zich meebrengt. Zowel Vincentius als Ignatius proberen ieder op een eigen manier een nieuwe samenhang tussen contemplatie en actie te realiseren.

De bijdrage wordt afgesloten met de vraag of het denkbaar is dat het dilemma van ons huidige verstaan van arbeid te begrijpen is tegen de achtergrond van een dergelijk arbeidsbegrip. De auteur is van mening dat dit zeker kan wanneer het gaat over de betekenis van de christelijke spiritualiteitstraditie voor onze tijd. Voor de moderne ideologieën echter (communisme, nationaal-socialisme en kapitalisme) gaat dit niet op. Daar heeft arbeid de plaats van de contemplatie geheel ingenomen. ‘Contemplatie wordt in deze ideologieën steeds meer begrepen als een instrumentele ondersteuning van het productieproces, die er uiteindelijk toe dienen een efficiënter arbeidsproces te bewerkstelligen. Nieuwe vormen van spiritualiteit in deze context, zoals contemplatiecursussen voor werknemers en managers, zijn er niet om de spanning tussen contemplatie en actie handen en voeten te geven, maar om deze juist op te lossen (26-27).

Wat nodig is, aldus de auteur, is een rehabilitatie van de contemplatie, wanneer het er om gaat de eigenlijke taak van arbeid te verduidelijken en concreet te beleven (p. 27). Dit wordt echter in de complexe samenleving steeds moeilijker. In de wijze waarop de Moderne Devotie en Nicolaas Cusanus over arbeid hebben nagedacht ziet de auteur een mogelijk paradigma dat helpt om de tegenstelling tussen arbeid en contemplatie te overwinnen. Het gaat daarbij om een zienswijze die zoekt naar de binnenkant van de praxis, alsof het voor de eerste maal geschiedt.

Maar ook vanuit de ‘actieve contemplatie’ in de lijn van Vincentius en Ignatius, zijn – volgens de auteur - uitwegen te formuleren voor de spanning tussen contemplatie en actie.  Het begrip ‘verborgenheid’ kan hierbij een sleutelrol spelen. Het gaat dan om het besef dat arbeid en inspanning ook een binnenkant hebben, die door niets buiten zichzelf gerechtvaardigd en daarmee ook uitbeelding van het Evangelie kan zijn, en die zich derhalve ook aan iedere vorm van regulering onttrekt.’ (p. 28)

De auteur plaatst hiermee de christelijk georiënteerde zienswijze ( het standpunt van de contemplatie) tegenover dat van de moderne ideologieën. Het antwoord op de oorspronkelijke vraag naar de taak van de spiritualiteit ten aanzien van arbeid wordt gevonden in de deconstructie van de eenduidige recepten die moderne ideologieën voorhouden (p. 29).

De tweede bijdrage stelt de vraag naar maatschappelijke spiritualiteit als optie in een seculiere tijd. Waar de gerichtheid op het individu in de Moderne Tijd kan doorslaan in geslotenheid ziet de auteur (Herman Westerink) de openheid van de christelijke spiritualiteit als kritische tegenwaarde: openheid in de plaatsen van gemeenschap (gesprek, ontmoeting), in de zorg om de naaste (als ander en niet als verlengstuk van of instrument voor mijzelf) en bovenal door het ter sprake brengen van het transcendente (God). (p. 43). Christelijke spiritualiteit kan daardoor een constructieve plaats innemen in de samenleving, zonder dat dit ontaard in moralisme. Het gaat hierbij om het vinden van een balans die zowel de moderne cultuur als de christelijke spiritualiteit ten goede komen. De auteur benoemt het vinden van deze balans als meanderen, ‘zoals een rivier door een landschap slingert en stroomt, nu eens de ene kant opbuigend, dan weer de andere, en als het ware altijd zelf haar loop corrigerend’ (p. 43).

Christelijke spiritualiteit is, volgens deze auteur, altijd ook maatschappelijke spiritualiteit. Dit omdat het gaat om een spiritualiteit die onvermijdelijk concreet is en zichtbaar wordt in de maatschappij. Het kent twee aspecten: beleefd (van buiten naar binnen) en geleefd geloof (van binnen naar buiten).

In de moderne samenleving staan zingevingsystemen en levensbeschouwingen naast elkaar zonder dat ze nog in een coherente en consistente eenheid kunnen worden gebracht. De bijdrage en waarde van christelijke spiritualiteit aan de maatschappij en in verschillende concrete maatschappelijke instellingen (onderwijs, zorg, bedrijfsleven) bestaat dan niet zozeer in het aanbieden van een afgerond (en misschien moeten we wel zeggen: gesloten) zingevingssysteem, maar juist in de openheid in een samenleving vol doorgeschoten individualisme, maakbaarheidsidealen en prestatiedruk. Naast de spiritualiteiten van de zelfheiliging en de zelfverwezenlijking, die volgens de auteur uiteindelijk uitdrukking zijn van een doorgeschoten individualisme, is er zeker ook plaats voor een christelijke spiritualiteit waarin juist de menselijke kwetsbaarheid en onzekerheden centraal staan. (p. 50 en 51)

‘Christelijke spiritualiteit reikt, aldus de auteur, de mogelijkheid aan van een kritische reflectie op de hedendaagse nadruk op de eigen verantwoordelijkheid voor een succesvol en geslaagd leven, het eigen vermogen geluk en welzijn te bewerkstelligen, en de nadruk op maakbaarheid, prestatie en persoonlijke groei en geluk. Dat is een kritische reflectie die zich niet enkel richt tegen modern individualisme, maar daar veeleer haar uitgangspunt neemt om van daaruit ruimte te maken voor beleefd en geleefd geloof, ruimte dus voor verwondering.’ (p.51)

De derde bijdrage gaat in op het religieuze leven als inspiratie voor hedendaagse maatschappelijke spiritualiteit. De auteur (Thomas Quartier) beschrijft het klooster als spirituele binnenplaats. De maatschappelijke relevantie van dit profetische leven vandaag de dag beschouwt de auteur als ‘contrapunt’ voor de alledaagse vluchtigheid met openheid naar transcendentie. Maatschappelijke spiritualiteit heeft de taak inspiratie te zijn voor dit soort plekken. De auteur gaat vervolgens op zoek naar een kader, een perspectief voor binnenplaatsen zoals die tegenwoordig op een profetische wijze aan maatschappelijke spiritualiteit kunnen bijdragen (p. 57).

Paul van Tongeren besluit de bundel met een nabeschouwing. Hij beschrijft daarin op eigen wijze hetgeen wat de auteurs volgens hem hebben willen zeggen, wat de rol is die het christendom daarin speelt en tot wie de auteurs zich met hun boodschap eigenlijk richten. Van Tongeren merkt hierbij, mijns inziens terecht, op dat vooral mensen die zelf goed geworteld zijn in de christelijke traditie zich door de artikelen aangesproken kunnen voelen. Wanneer de auteurs zich echter beogen te richten op mensen die de christelijke traditie niet kennen, of er niet meer mee vertrouwd zijn, zullen er problemen rijzen.

De herkenbare verwarring van Van Tongeren met betrekking tot de vraag tot wie de auteurs zich met hun bundel richten ontstaat, mijns inziens, mede doordat in het methodisch uitganspunt gesproken wordt over ‘nieuwe’ vormen van christelijke spiritualiteit. De bundel beoogt een nieuwe impuls te geven aan de zoektocht en aan de concrete vormgeving van ruimten voor spiritualiteit in de (post-)seculiere samenleving. Binnen die (post-)seculiere samenleving richten de auteurs zich echter tot hen – zoals Van Tongeren opmerkt –die (nog) geworteld zijn in de christelijke traditie. Het ‘nieuwe’ waarover de auteurs spreken, heeft dan vooral betrekking op de vraag op welke nieuwe innerlijke/geestelijke manieren christenen zich vanuit hun geloof  tot de (post-) seculiere samenleving kunnen verhouden. Zij heeft, mijns inziens, geen betrekking op de besproken vormen zelf. Die zijn naar mijn idee niet ‘nieuw’. Op deze manier begrepen, biedt het boek voldoende aanknopingspunten om op een inspirerende wijze de vraag naar de maatschappelijke relevantie van het christelijk geloof in een (post-)seculiere context te stellen.

Inigo Bocken, Thomas Quartier, Herman Westerink, Ruimte voor maatschappelijke spiritualtieit. Een verkenning is een uitgave van Berne Media te Heeswijk.