GeldenGoed300Dit boek is een van de positieve en hoopgevende vruchten van de financiële crisis. Arjan Broers stelt zich als journalist, zinzoeker en zinkrijger de vraag of er een ander model denkbaar is dan het gangbare model van economische groei en financiële winst voor aandeelhouders. Aan de basis van het boek legt hij een aantal fundamentele vragen die iedereen zich wel eens gesteld heeft: hoe kon het zo fout gaan? Hoe konden de basisregels van het bankieren in de cultuur van de vrije markt zo uit het zicht raken? Kan het ook anders? En: Kan ik daaraan bijdragen?

Alternatieven?

Om deze vagen te beantwoorden gaat Broers in het eerste deel van het boek te rade bij enkele invloedrijke denkers: Hans Achterhuis, Esther Mirjam Sent, Herman Wijffels, Harry Kunneman, Edgar Karssing en Erik Borgman. Hij wil zich echter niet beperken tot analyses van het bestaande systeem, die het gevaar in zich dragen te verzanden in gemopper. Daarom wordt in het tweede deel de aandacht gericht op het verkennen van een werkend alternatief: Oikocredit. Deze financieringsorganisatie werd in 1975 opgericht vanuit de Wereldraad van Kerken. Doel van de auteur is 'iets te leren van hoe de mensen in deze organisatie denken en doen' (p. 15). 'Hoe komt het dat zij niet meegingen met het casinokapitalisme, waarin de enige waarde die van de winst was?' 'Welke waarden zijn zo sterk dat ze overeind zijn gebleven? Welke praktische stappen hebben ze genomen en welke concrete producten hebben ze ontwikkeld?' Het tweede deel van het boek geeft een antwoord op deze vragen.

Zoekvragen

Aan het boek liggen een aantal 'zoekvragen' ten grondslag. Het betreft oeroude vragen, de oudste en diepste. Maar ook vragen die volgens de auteur nog nauwelijks worden gesteld met de urgentie die zij hebben gekregen. 'Waar dat wel gebeurt, blijkt vaak dat we heel goed zijn in het analyseren van problemen, maar (nog) geen idee hebben van alternatieven', aldus de auteur(p. 9). Door deze vragen aan de basis van het boek te leggen doet de auteur recht aan zijn achtergrond als zingever. Het zijn deze 'zoekvragen' waarop hij dan ook in zijn slotbeschouwing terug komt. Al in de inleiding wijst hij met betrekking tot deze vragen op het bestaan van een 'gat in de taal'. Hiermee geeft hij aan dat de nadruk is komen te liggen op kwantiteit ('meer is beter') en we onhandig en onbeholpen zijn geworden in het bespreken van de binnenkant, van onze waarden. Er wordt bijvoorbeeld nog nauwelijks gesproken over waarom ons werk betekenis voor ons heeft of voor de samenleving. Wanneer dat wel gebeurt, worden dergelijke uitspraken beschouwd als iets individueels, als een privézaak, economisch en maatschappelijk gezien gaat het echter om de winst.

Mal dansje

De auteur noemt zijn boek in zekere zin een 'mal dansje, onwennig en zoekend'. Dit is waarschijnlijk ingegeven door het feit dat hij geen econoom of financieel specialist is, maar journalist, zingever en zinkrijger. Juist deze invalshoek geeft aan de materie echter, mijns inziens, een fris karakter. Dat frisse karakter schuilt vooral in de weigering stil te blijven staan bij het bestaande systeem. Hij voegt hiertoe de daad bij het woord en verkent mogelijke alternatieve handelingsperspectieven door een vijftal hoofdrolspelers binnen Oikocredit te bevragen op hun doen en laten ten aanzien van Oikocredit.

Oikocredit

Deze gesprekken met vertegenwoordigers van Oikocredit leveren een aantal verhelderende inzichten op. Zo geeft Huub Lems, aandeelhouder, aan dat niet het belang van de bank, maar het belang van de klant voorop dient te staan. Om dit te kunnen bereiken zijn waarden en normen nodig. Dat zijn andere waarden en normen dan de impliciete uitgangspunten van het commerciële bankieren. Albert Hofsink, financieel-directeur, benadrukt dat het uitgangspunt voor een gezonde en winstgevende organisatie de werkelijkheid zelf dient te zijn. Het is hierbij belangrijk winst als brede winst voor álle betrokkenen op te vatten en niet alleen als winst voor de aandeelhouders: een generatie kinderen die naar school kan gaan is ook winst, maar we meten dat niet. Ben Simmes, managing director, relativeert het organisatiemodel an sich. 'Vanzelfsprekend moet dat kloppen, maar het geheel is uiteindelijk afhankelijk van de mensen die erin functioneren. Een te sterke groei kan ontregelend en ontwrichtend werken wanneer onderdelen van de organisatie niet meegroeien en zich mee ontwikkelen', aldus Simmes.

Geld met zin

Aansluitend bij Erik Borgman (Overlopen naar de barbaren, 2009) wil Broers geen utopisch tegenmodel van het huidige systeem poneren. Daarvoor in de plaats kiest hij ervoor om in de werkelijkheid zelf te zoeken naar alternatieven, 'om ervan te leren en verder te gaan in het spoor dat zij trekken'.

Hiertoe presenteert Broers in zijn slotbeschouwing, op grond van wat hij geleerd heeft uit de voorgaande gesprekken, zes begrippenparen waar we wat hem betreft anders over zouden moeten gaan denken en waar me mee zouden moeten gaan werken. Deze begrippenparen zijn: risico en vertrouwen; klant-en partnerrelaties; aandeelhouders en stakeholders; groei en schuld; ideaal en praktijk en schaarste en overvloed. Met de bespreking van deze begrippenparen reikt de auteur enerzijds elementen van een antwoord aan op de zoekvragen die hij zich bij aanvang van het boek stelde en anderzijds handelingsperspectieven voor bancaire instellingen die hun perspectief willen verruimen om betere banken te worden. 

Arjan BroersArjan Broers, Geld en goed. Lessen voor welwillende kapitalisten verscheen bij Uitgeverij Skandalon in juni 2013. ISBN 978-94-90708-73-3. Meer informatie over de auteur treft u op op zijn website: www.arjanbroers.nl