StrafdeArmen300Het is niet gemakkelijk om recht te doen aan de veelzijdige en diepgravende inzichten die Loïc Wacquant in dit boek aan zijn lezers voorlegt. Ik beeld me dan ook geenszins in dat ik de volle reikwijdte van zijn overwegingen in deze korte bespreking weet te vatten.

Ik hoop slechts enkele trekken van de dominante lijn van zijn gedachtegang te beschrijven en u voldoende te interesseren om het boek zelf ter hand te nemen.

Van welfare naar workfare

Wacquant beschrijft in dit boek het 'regime van sociale onzekerheid, dat in de plaats komt van de oude fordistische, keynesiaanse orde’ (19). Daarmee biedt hij een studie over de gedaantewisseling van de Amerikaanse staat in het tijdperk van de allesoverheersende marktideologie. Het boek wil aantonen hoe de categorieën, de praktijk en het beleid van het strafwezen in de VS een rechtstreeks gevolg zijn van de neoliberale revolutie. De VS zijn volgens Wacquant de historische smeltkroes en de internationale speerpunt van deze revolutie. De uitbreiding van het strafwezen in de VS ging gepaard met bezuinigingen in de sociale uitgaven waarbij de hulp aan behoeftigen werd omgevormd tot verplichte, gedekwalificeerde en onderbetaalde arbeid. Deze ontwikkeling heeft geleid tot een algemene ontwrichting van de Amerikaanse maatschappij.

Workfare en prisonfare als integrale componenten van de neoliberale staat

Wacquant ziet de gevangenis in deze ontwikkeling als een ‘volbloed politieke instelling’ in plaats van als een technisch instrument om de wet te handhaven. In deze ontwikkeling vormen workfare (het verrichten van verplichte, gedekwalificeerde en onderbetaalde arbeid) en prisonfare twee integrale componenten van de neoliberale staat. De strafrechtelijke sanctie en de controle over de welzijnssector zijn hierbij tot één apparaat omgevormd dat de marginale bevolkingsgroepen onderwerpt aan zijn culturele greep en gedragscontrole en hun sociale problemen onzichtbaar maakt.

Wacquant waarschuwt dat het boek de lezer niet mag misleiden en ‘doen denken dat de bestraffing van de armoede een doelbewust ‘plan’ is van snode en oppermachtige potentaten – zoals sommige activisten dat doen met hun complottheorieën’ (20). Heel deze ontwikkeling is niet geprogrammeerd, ze is het resultaat van de strijd tussen agenten en instellingen, die ieder een of ander onderdeel of bevoegdheid van de staat willen hervormen in overeenstemming met hun materialistische en symbolische belangen. ‘Andere historische paden blijven open, ook al zijn ze erg smal en lijken ze weinig toekomst te bieden’. (20).

Het is echter ‘de ergste wetenschappelijke en maatschappelijke vergissing', aldus Wacquant, 'te geloven en te doen geloven dat het politie- en gevangenisbeleid de optimale remedie vormen, de koninklijke weg naar het herstel van de sociale en morele orde, of zelfs het enige middel om de ‘veiligheid’ te waarborgen, en dat er geen enkel alternatief bestaat om de sociale en geestelijke chaos in te dijken, die het gevolg is van de fragmentarisering van de loonarbeid en de polarisering van de stedelijke leefruimte’. (22-23).

Afbouw van stabiele en homogene loonarbeid en wegvallen van solidariteit

Volgens Wacquant wordt de sociale onveiligheid ‘veroorzaakt door de geleidelijke afbouw van een stabiele en homogene loonarbeid en door het uiteenvallen van de klassen- en cultuursolidariteit die een duidelijk omschreven nationaal kader hadden.’(p. 29). Door de hypermobiliteit van het kapitaal, de verankering van migratiestromen en de Europese integratie vervagen de grenzen van de natie. Arbeid wordt gedesocialiseerd wat een sterk angstgevoel oproept. Angst voor de toekomst, angst om van de maatschappelijke ladder af te vallen, angst voor de sociale achteruitgang en angst dat de sociale status niet doorgegeven kan worden aan de kinderen omdat er steeds meer afvallers zijn in een steeds sneller en onzekerder wordende wedren naar vaste banen en functies.

Deze sociale en psychische onveiligheid treft gezinnen uit de volksklassen het hardst. Zij beschikken niet over het culturele kapitaal dat noodzakelijk is om toegang te krijgen tot de (door de staat) beschermde sectoren van de arbeidsmarkt. Wanneer zij niet de klasse van de working poor vormen dan komen ze terecht in een systeem van sociale (on)zekerheid dat steeds meer op de helling komt te staan. Het collectieve recht op bescherming tegen werkeloosheid en armoede wordt er vervangen door de individuele plicht tot het verrichten van gedekwalificeerde en onderbetaalde arbeid (workfare) waardoor een situatie van armoede ontstaat die zichzelf in stand houdt.

De keynesiaanse staat, gekoppeld aan fordistische loonarbeid (1945-1975), drager van solidariteit, had de taak de steeds weerkerende recessies van de markteconomie tegen te gaan en de kwetsbaarste bevolkingslagen te beschermen. De hedendaagse neodarwinistische staat heeft daarentegen de competitiviteit centraal gesteld en de ‘individuele verantwoordelijkheid’ als stelregel gekozen. Tegenhanger hiervan vormen de collectieve en politieke onverantwoordelijkheid, die zichtbaar wordt in het terugtredende, restrictieve en punitieve karakter van het sociale beleid.

Liberaal-paternalisme

Het regime dat hierdoor ontstaat wordt door Wacquant ‘liberaal-paternalistisch’ genoemd: ‘liberaal en permissief naar boven, ten overstaan van bedrijven en bevoorrechte klassen; paternalistisch en autoritair naar onderen, ten overstaan van diegenen die in de tang zitten van de herstructurering van de tewerkstelling, de teloorgang van de sociale bescherming of haar omvorming tot een bewakings- en sanctie-instrument’. (p. 34) Hierbij worden niet alleen budgettair maar ook administratief voorwaarden opgeworpen, zodat aanvragers van sociale ondersteuning ontmoedigd raken of uitkeringsgerechtigden (tijdelijk) geschrapt worden van de lijst van uitkeringsgerechtigden omdat zij – zonder zich daarvan bewust te zijn – door de staat opgestelde regels hebben overtreden. Een uitgebreid net van disciplinaire maatregelen diskwalificeert armen in termen van misbruik of fraude. Zij staan voortdurend onder toezicht en hun gedrag wordt geregeld door strakke protocollen die bij overtreding leidden tot een verdubbeling van de sanctie en zo nodig tot straffen die kunnen uitmondden in blijvende uitsluiting.

In het verlengde van de ontwikkeling waarbij de staat vanwege de opmars van de vrije markt haar grip op de economie steeds verder en diepgaander verliest eist zij in toenemende mate invloed op de openbare en morele orde in de samenleving. Dit doet zij door het leven van de armsten in de samenleving op steeds ingrijpender wijze te reguleren. Daarbij ontdoet zij zich gaandeweg van iedere economische verantwoordelijkheid door de armen zelf verantwoordelijk te stellen voor hun eigen armoede en hen te criminaliseren. Ten gevolge van deze wijze van handelen tolereert zij een steeds schrijnender armoede en grotere ongelijkheid in de samenleving. Hierbij worden ‘alle sociale voordelen meer en meer binnengerijfd door de bevoorrechten in de maatschappij, via de ‘fiscalisering’ van de steun (voor onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting). De strafmaatregelen van deze staat zijn vooral gericht tegen de volksklassen en de onderdrukte etnische groepen’ (69).

Mechanismen van ongelijkheid

De mechanismen die de ongelijkheid veroorzaken zijn: vrij spel voor het kapitaal, geen recht op arbeid en deregulering van de collectieve bescherming. Door vrij spel aan het kapitaal te geven wordt eerder (het dreigement van) ontslag gehanteerd dan de belofte van hogere lonen of andere financiële voordelen om werknemers te motiveren. Door het recht op arbeid te ontnemen worden mensen tot arbeid gedwongen op straffe van inhoudingen en sancties die rechtstreeks gevolg hebben voor het inkomen van mensen en hen op of onder het bestaansminimum houden. Door het vangnet van collectieve bescherming af te bouwen en de sociale diensten om te vormen tot instrumenten voor bewaking en controle wordt de toegang ertoe bemoeilijkt en armoede in de hand gewerkt en in stand gehouden.

Extra schrijnend aan de situatie is dat de workfare niet als doel heeft de armoede terug te dringen, maar de zichtbaarheid van de armen in het maatschappelijke landschap te verminderen. Workfare dient slechts om de plicht tot loonarbeid er bij de armen in te hameren. Ook het inzetten van gratis arbeidskrachten binnen verplichte arbeidsprogramma’s voor steuntrekkers ligt in de lijn van deze opvattingen, volgens welke de sociale bijstand gedisciplineerd dient te worden.

Het toepassen van deze mechanismen in de VS heeft geleid tot de hervorming van welfare (sociale bijstand) naar workfare (verplichte, gedekwalificeerde en onderbetaalde arbeid). Wacquant merkt daarbij op dat dit dan wel het aantal verleende uitkeringen sterk heeft teruggedrongen, het aantal armen en hun schrijnende situatie is er geenszins mee gedaald. Zij zitten vast in een systeem van onderbetaald werk en vluchtige contracten, een systeem waar juist vanwege de afbraak van het sociale vangnet niet meer uit te komen is. Het systeem heeft hun armoede onzichtbaar gemaakt door het terugdringen ervan in de privésfeer van de markt en van het gezin. Daarmee behoort ze niet langer tot een collectieve en politieke verantwoordelijkheid maar tot de individuele verantwoordelijkheid van elkeen.

Als echt alternatief voor het afglijden naar de bestraffing van armoede ziet Wacquant de opbouw van een Europese sociale staat die die naam waardig is (315). Sociale en economische rechten zijn de efficiëntste middelen om armoede te bestrijden.

Analytisch kader

In het slothoofdstuk van zijn boek (Theoretisch coda) verduidelijkt Wacquant het analytisch kader en de theoretische implicaties van zijn onderzoek. Daarbij legt hij verbanden met het werk van Pierre Bourdieu over de staat, met Frances Fox Piven en Richard Cloward over welfare, met Michel Faucault en David Garland over bestraffing en met David Harley over het neoliberalisme. Daarbij geeft hij aan waar zijn eigen opvattingen in Straf de armen bij deze auteurs aansluiten en er op verder bouwen of er juist van afwijken.

Al concluderend merkt Wacquant op dat ‘de gierigheid van welfare en de gulheid van bestraffing onder invloed van het moralisme het karakter van het bureaucratische veld veranderd hebben op een manier die erg schadelijk is voor democratische idealen. Terwijl de afschrikwekkende werking van workfare en de neutraliserende werking van de gevangenis worden toegespitst op dezelfde marginale bevolkingsgroepen en wijken, leiden ze tot erg verschillende profielen en ervaringen van burgerschap bij de verschillende klassen en rassen. Niet alleen plegen zij een inbreuk op het fundamentele principe van gelijke behandeling door de staat, maar ze beknotten ook routineus de individuele vrijheid van de minderbedeelden. Ze ondermijnen ook de instemming met het beleid van degenen waarover geregeerd wordt, door het agressief doorvoeren van onvrijwillige programma’s die persoonlijke verantwoordelijkheden voorschrijven terwijl de staat net de institutionele hulp nodig voor het opnemen van die verantwoordelijkheid afbouwt in een algemene beweging naar minder sociale en economische overheidstaken. Bovendien brandmerken ze de kwetsbare fracties van het proletariaat waaruit steuntrekkers en veroordeelden komen, als waardeloos. Kortom, de bestraffing van armoede leidt tot de versplintering van ‘burgerschap’ in klassen, zuigt het maatschappelijk vertrouwen van de lagere klassen weg en leidt tot maatschappelijke normverlaging. Het nieuwe beleid van sociale onzekerheid toont dus aan dat het neoliberalisme de democratie structureel ondermijnt’, aldus de conclusie van Wacquant. (349)

WacquantLoïc Wacquant, Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid, tweede druk: april 2010, met een nieuw hoofdstuk over het theoretisch kader waarbinnen de neoliberale staat de sociale onzekerheid vormgeeft, uitgeverij EPO, Berchem.