Wat betekent het dat de manier waarop ik tot nu toe God en de wereld, het bestaan in de wereld, begreep - dáár uiteenvalt en een nieuwe constellatie vindt die ik niet kan beschrijven?

Ik kan slechts vaag en in hopeloos tekort schieten verwoorden dat ik daar onderga, dat uitgebreidheid in de ruimte wegvalt, omdat de ruimte zoals wij die kennen er niet bestaat.

Ook de tijd als uitgebreidheid bestaat er niet, want alles valt er samen, inéén, in een eeuwig nu. In dit eeuwige nu zie ik de ordening van al het zijnde en bezielde ten opzichte van het Centrum en elkaar. Het Centrum – het eeuwige Licht, dat te helder is om te kunnen zien wie of wat dit Licht veroorzaakt.

Ik zie het Licht alléén als afstraling op het zijnde en bezielde. Zij weerkaatsen het Licht. De Bron van het Licht zelf kan ik niet zien. Wanneer ik haar probeer te zien raken mijn ogen verblind. Ik besef dat het geen zin heeft te proberen de Bron van het Licht zelf te zien, dat zal nooit lukken. Wie de Bron is toont zich slechts in hen op wie het Licht afstraalt. Zij zijn als het negatief van de Bron, die Zelf onzichtbaar en in duisternis gehuld blijft. Dit negatief is zelf echter zo onthullend, dat haar gewicht maar met veel moeite gedragen kan worden door de menselijke geest.

Het enige wat ik kan proberen is steeds beter te begrijpen hoe al het zijnde en bezielde door de Bron van het Licht wordt beschenen en doordrongen en daardoor zijn plaats in het universum krijgt toegewezen.

Proberen te begrijpen hoe de door het Licht doordrongen zijnden zich door de inwerking van het Licht tot elkaar verhouden. Een geheel andere ordening dan die wij zelf hebben aangebracht. 
Hoe verbinden zij zich met elkaar en hoe komt het dat zij zich soms – niet altijd – met elkaar verbonden weten?

Proberen te begrijpen waarom deze zijnden de ene keer – tot zegen van elkaar en de wereld - wel in staat zijn het Licht in elkaar te herkennen en de andere keer niet.

Proberen te begrijpen waarom het in elkaar herkennen van het Licht ongekende scheppende krachten in de mens en daardoor in de wereld ontkentent en het niet herkennen van het Licht in elkaar oorzaak is van onverschilligheid, benepenheid, achterdocht, onbegrip en haat.

Welk vermogen stelt ons in staat het Licht in elkaar te zien en elkaar te herkennen als kinderen van het Licht? Wat is het dat ons zicht op het Licht in de ander beneemt? Hoe komt het dat we meestal niet zien wat onzichtbaar is?