Identiteit300Het boek Identiteit van Paul Verhaeghe verscheen in 2012 bij De Bezige Bij te Amsterdam. Inmiddels heeft een nieuw boek van zijn hand het licht gezien: Autoriteit (verschenen, september 2015, De Bezige Bij). Tijdens een lezing van Verhaeghe over dit nieuwe boek werd me duidelijk dat Autoriteit in feite een logisch vervolg vormt op wat Verhaeghe over autoriteit in Identiteit al optekent. Identiteit kan dan ook gezien worden als het uitschetsen van de contouren waartegen Autoriteit is geschreven.

 

Verhaeghe doet veel in Identiteit. Om zicht te krijgen op de denkbeweging die hij in het boek voltrekt heb ik gezocht naar de structuur ervan. Hoe bouwt hij zijn betoog op? Na een historische schets van de ontwikkeling van het identiteitsbegrip en de betekenis van ethiek (Deel I) biedt het Intermezzo het draaipunt van het boek. ‘Wat wij vandaag meemaken, zijn de gevolgen van een nieuw maatschappelijk model dat een nieuwe identiteit met andere normen en waarden geproduceerd heeft.’ (p. 110) Dit nieuwe maatschappelijke model, het neoliberalisme, ziet hij als het Nieuwe Grote Verhaal waaraan onze identiteit zich spiegelt. In het tweede deel gaat Verhaeghe vervolgens in op de vraag wat de effecten zijn van pakweg dertig jaar neoliberale ideologie op het individu? Op welke manier heeft dit systeem ons denken gekoloniseerd? (p. 118)

De conclusie van Verhaeghe komt, na lezing van het gehele boek, niet geheel als een verrassing. Anders dan terug te grijpen naar religie als gemeenschappelijk Groot Verhaal, grijpt hij terug naar het klassieke ethische begrip ‘epimeleia’. Om een nieuw evenwicht te vinden tussen gelijkheid en verschil, tussen gemeenschapszin en autonomie, is het ernstig nodig de huidige arbeidsorganisatie te wijzigen en de economie op een andere manier te denken, aldus Verhaeghe. Het klassieke ethische begrip ‘epimeleia’, wat ‘de zorg voor zichzelf’ betekent, kan hierbij volgens Verhaeghe behulpzaam zijn. Het gaat daarbij namelijk niet alleen om het individu maar meteen ook om de verantwoordelijkheid voor een ethische vormgeving van het eigen leven op zo’n manier dat die vormgeving aansluit bij het belang van de gemeenschap als geheel (p 239).

DEEL 1

Identiteit

Identiteit is geen diep verborgen, onveranderlijke kern, maar een constructie

In het eerste deel van zijn boek (hoofdstuk 1 t/m 4) maakt Verhaeghe duidelijk dat identiteit een constructie is. Identiteit krijgt vorm in het schuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor de identiteit fungeert (p. 14). De identiteit van de mens is, aldus Verhaeghe, geen diep verborgen, onveranderlijke kern, maar een constructie die meer met woorden te maken heeft dan met ‘zijn’. Door een voortgaand proces van enerzijds spiegeling en anderzijds afscheiding wordt identiteit geconstrueerd. In ieder mens voltrekt zich dit proces op unieke wijze omdat we allemaal een unieke combinatie zijn van spiegeling en afscheiding. 

Twee visies op de mens

In de hoofdstukken 2 t/m 4 beschrijft Verhaeghe vervolgens hoe we in de loop van de geschiedenis de eigenlijke betekenis van ethiek uit het oog zijn verloren. Hoewel er voortdurend gesproken wordt over ‘het verlies van waarden en normen’ is Verhaeghe van mening dat we – net als bij identiteit - normen en waarden niet kunnen verliezen, omdat ze deel uitmaken van wie we zijn. Wel kunnen ze, net als identiteit, veranderen onder invloed van verschuivingen in de samenleving. De vraag naar normen en waarden omvat de vraag naar het ‘wezen’ van de mens, de vraag naar wie we zijn. Ethiek of moraal bepalen dan ook het onderscheid tussen goed en kwaad.

Volgens Verhaeghe laat de geschiedenis twee visies op de mens zien. In de ethiek van de klassieken werd de mens als in wezen goed gezien. Binnen deze visie was de mens gericht op zelfrealisatie, op het realiseren van het goede dat in de kern reeds aanwezig is. In de christelijke moraal wordt de mens, aldus Verhaeghe, als in wezen slecht gezien. Binnen deze visie is de mens in een voortdurende strijd verwikkeld met het slechte in zichzelf en daarom gericht op zelfverloochening en zelfdisciplinering.

Verhaeghe grijpt in de loop van zijn boek regelmatig terug naar de Grieks-Romeinse opvatting van moraal om het contrast aan te tonen met de christelijke moraal en zal uiteindelijk ook teruggrijpen naar de Grieks-Romeinse opvatting voor het aandragen van een oplossing voor de huidige problemen in de samenleving.

De schepping is aan verandering onderhevig

Een belangrijk kantelpunt in de geschiedenis is, volgens Verhaeghe, het loslaten van de overtuiging dat de schepping onveranderlijk is (Scala Naturae). Het waren denkers als Newton, Kepler, Darwin en Mendel die de doodsteek brachten aan dit christelijke kernidee.  Verhaeghe ziet dit als de belangrijkste kanteling in de intellectuele geschiedenis van het Westen: het idee dat levende wezens en dus ook mensen kunnen veranderen. De gevolgen zijn enorm. Het betekent immers dat er geen vaststaande identiteit is. (p. 63)

Het besef dat de natuur aan verandering onderhevig is, deed de vraag ontwaken of datzelfde geldt voor de ‘natuurlijke orde’. Betekent het feit dat de natuur aan verandering onderhevig is ook dat mensen niet hoeven te blijven zitten op een vooraf aangewezen plaats in de sociale hiërarchie? Betekent het ook dat maatschappijen voor verandering vatbaar zijn, kunnen evolueren? En kunnen we die veranderingen ook bijsturen, in de richting van verbetering, vooruitgang? Is de mens maakbaar? Is de maatschappij maakbaar? (p. 63)

De samenleving is maakbaar

Het is dit idee dat postvat in de westers geschiedenis: de maakbare samenleving. De hamvraag is dan, volgens Verhaeghe, of we er sedertdien in geslaagd zijn op een andere manier naar onszelf te kijken en het idee van veranderlijkheid ernstig te nemen. Dat is helaas niet geval, zo is Verhaeghe van mening. De oorzaak hiervan zoekt hij in het feit dat aan de basis van de rooskleurige utopieën een belangrijke, dubbele interpretatie van het idee van veranderlijkheid ligt, namelijk dat verandering per definitie vooruitgang betekent en dat die vooruitgang bovendien maakbaar is (p. 64-65). In werkelijkheid blijkt vooruitgang binnen utopieën altijd slechts voor een beperkt deel van de wereldbevolking op te gaan, ten koste van de rest en van de natuur. ‘Vooruitgang is een moreel oordeel van een wezen dat zichzelf o zo graag in de spiegel bekijkt’ (p. 66).

Sociaaldarwinisme

Een belangrijke aanvulling op de veranderingsidee voltrekt zich, volgens Verhaeghe, wanneer Herbert Spencer de evolutieleer van Charles Darwin gaat toepassen op de maatschappij, het sociaaldarwinisme. Waar ‘fittest’ bij Darwin ‘het best aangepast aan de omgeving’ betekent, verglijdt dit bij Spencer naar ‘meest succesvol’ in de zin van ‘de meeste macht’. ‘Bepaalde groepen of klassen zijn sterker en eigenen zich alles toe, andere zijn zwakker en zullen geleidelijk verdwijnen.’ (p. 68) Sociale wantoestanden worden hierbij gezien als ‘kankergezwellen’ waarvan de dragers ‘parasieten’ zijn die bestreden moeten worden. Zwakke groepen in de maatschappij werken remmend en moeten via het bevorderen van de natuurlijke selectie zo snel mogelijk verwijderd worden. Zo ontstaat de zogenaamde eugenetica als een sociaal darwinistische praktijk: het aanmoedigen van de voortplanting van de sterksten en het zoveel mogelijk beperken van de voortplanting van de minderwaardigen. Het is deze opvatting die vanaf de negentiende eeuw naar voren wordt geschoven als wetenschappelijke rechtvaardiging voor sociale ongelijkheid, racisme en machtsmisbruik, kolonisatie, immigratiewetten en rassenwetten.

Sciëntisme: meten is weten

De inspiratiebron voor de maakbare vooruitgang werd bij de natuurwetenschappelijke invulling van de wetenschap gehaald, waarin het mantra ‘meten is weten’ is. Het is deze sciëntistische opvatting van wetenschap die de overhand heeft gekregen. En, zo merkt Verhaeghe op, net als religie acht het schiëntisme zich superieur in vergelijking met de onwetenden. In de postmoderne sciëntistische lezing is er echter nog minder hoop dan in religie en moeten we wachten op een genetische wijziging van de menselijke soort die ons beter zal aanpassen aan de door onszelf gecreëerde postindustriële samenleving.

Van maakbare samenleving naar het maakbare individu

Onder invloed van het debacle van het nationaalsocialisme en het communisme is in de tweede helft van de vorige eeuw het idee van een ideale maatschappij ernstig op de helling gezet, zo merkt Verhaeghe op. Met de val van de Berlijnse muur werd ideologie als dusdanig doodverklaard en het idee van een maakbare samenleving opgeborgen (p 78). Verandering en maakbaarheid bleven echter wel sleutelwoorden, maar nu met een nieuwe toepassing: het individu.

Het einde van de vorige eeuw werd daardoor het startpunt van een radicaal nieuw idee inzake identiteit: je moet jezelf maken, je moet hét maken. Zowel psychologisch, lichamelijk als sociaaleconomisch. ‘De verschuiving van groep naar individu gaat gepaard met een dito verschuiving qua verantwoordelijkheid. Ik kan alles hebben op voorwaarde dat ik in de struggle for life aan het langste eind trek, en dat is mijn verantwoordelijkheid. De maatschappij mag mij niets in de weg leggen (…) Binnen dezelfde redenering wordt zorg voor individuen die het niet gehaald hebben, opnieuw een anomalie. Die mislukking hebben ze enkel aan zichzelf te danken, waarom zouden we hen moeten helpen (…) Tegenslag kun je overwinnen en toeval bestaat niet. Wie het niet maakt, is schuldig’ (p. 81). Het nieuwe levensdoel is succes en de bijbehorende macht, vertaald in termen van economisch succes en financiële macht.

En de ethiek dan?

Verhaeghe ziet het neoliberalisme als de nieuwste mutatie van het sociaaldarwinisme. In plaats van de natuur, willen neoliberalisten ‘de markt’ zijn gang laten gaan. De achterliggende redenering blijft echter onveranderd, en wordt zo mogelijk nog meer met cijfers en tabellen bewezen (p. 82).

In het neoliberalisme is een onverwachtse koppeling ontstaan op het vlak van ethiek met een onverwachts effect: iemand die rijk is zal dat wel te danken hebben aan zijn eigen inzet en karakter, dús is hij een sterke persoonlijkheid, dús gaan we ervan uit dat hij ook ethisch boven aan de ladder staat. Financiële macht staat gelijk aan moreel gezag. Het effect is dat we aan bankiers en ‘the captains of industry’ vragen hoe het nu verder moet met onze maatschappij. Omgekeerd: wie mislukt, heeft dat eveneens aan zichzelf te wijten, is bijgevolg een zwakke persoonlijkheid en vaak genoeg nog een profiteur ook, die een heel bedenkelijk normen-en waardensysteem hanteert. (p. 81)

De mens is wezenlijk een sociaal dier

Verhaeghe concludeert, op grond van een bespreking van het primatenonderzoek van Frans de Waal (hoofdstuk 4), dat het inzicht van het neoliberalisme dat mensen competitieve wezens zijn niet klopt. ‘Identiteit wordt grotendeels door de omgeving bepaald, de mens is wezenlijk een sociaal dier wiens evolutionaire erfenis zowel een gerichtheid op solidariteit als op egoïsme bevat. Omgevingsfactoren bepalen hierbij wat de overhand krijgt.’

INTERMEZZO

Depressief genot op afbetaling

Na het eerste deel volgt een zogenaamd Intermezzo. Verhaeghe gebruikt dit intermezzo niet alleen om de bevindingen uit het eerste deel kort samen te vatten, maar ook om duidelijk te maken dat hij de verklaring voor de huidige problemen in de samenleving niet zoekt in de linkse verzorgingsmaatschappij die te ver is doorgeslagen (Sloterdijk, Dalrymple) of het teloorgaan van Grote Verhalen (Lyotard). ‘Wat wij vandaag meemaken, zo merkt hij op, zijn de gevolgen van een nieuw maatschappelijk model dat een nieuwe identiteit met andere normen en waarden geproduceerd heeft. Verhaeghe noemt dit, bewust provocerend, de ‘Enron-maatschappij’. Het meest typische kenmerk van deze maatschappijvorm is depressief genot op afbetaling.

DEEL II

De hamvraag die Verhaeghe zich in het tweede deel van zijn boek (hoofdstuk 5 t/m 8) stelt, is: Wat zijn de effecten van pakweg dertig jaar neoliberale ideologie? Op welke manier heeft dit systeem ons denken gekoloniseerd, terwijl het ingaat tegen al onze private en collectieve belangen? (p. 118)

Bij het nieuwe Grote Verhaal hoort een nieuwe identiteit

Het nieuwe dominante verhaal is het verhaal van de ‘Enron-maatschappij’, zo beschrijft Verhaeghe in het vijfde hoofdstuk). Het is het nieuwe Grote Verhaal, waaraan de nieuwe identiteit zich spiegelt. De dominantie van dit verhaal verklaart waarom we niet beseffen wat er aan het gebeuren is. Een identiteitsverlenend verhaal wordt immers pas zichtbaar wanneer het zijn dwingende karakter verloren heeft. Daarvoor vallen verhaal en werkelijkheid samen. Aan dit nieuwe Grote Verhaal wordt alles ondergeschikt gemaakt, alle sectoren in de samenleving, waardoor een neoliberale meritocratie is ontstaan. Dit Grote Verhaal wordt samengehouden door twee denkbeelden: ‘vrijheid’ en ‘loon naar werken’.

Gelijke kansen?

 

Iedereen verschijnt met gelijke kansen aan de start: een illussie

Aan de basis van dit Grote Verhaal ligt de opvatting dat iedereen met gelijke kansen aan de start verschijnt. Deze opvatting is echter een illusie. Het systeem installeert na verloop van tijd een nieuwe elite die de deur zorgvuldig sluit voor wie na haar komt. En na eerste overweldigende positieve resultaten en een korte fase van stabiliteit realiseert het bestel exact het tegenovergestelde van wat oorspronkelijk de bedoeling was. Hiermee is het neoliberalisme in feite sociaaldarwinisme in een economische verpakking.

In alle sectoren van de maatschappij

Dat het Grote Verhaal zijn tentakels in alle sectoren van de maatschappij uitspreidt beschrijft Verhaeghe overtuigend aan de hand van de veranderingen die het teweeg heeft gebracht binnen universiteiten (kennisbedrijf), ziekenhuizen (zorgbedrijf) en het bedrijfsleven (niet-productieve bovenlaag van managers, consultants en taks forces).

Snelle scheiding tussen ‘wie kapitaal erft’ en ‘wie schulden erft’

Uiteindelijk valt een economische meritocratie, zo is de overtuiging van Verhaeghe, stil op grond van wat hij ‘patrimoniumerfeflijkheid’ noemt. Wie kapitaal erft, blijft bovenaan de ladder, wie schulden erft, komt daar nooit meer vanaf. Door het wegvallen van sociale mobiliteit wordt een nieuwe, statische klassenmaatschappij geïnstalleerd, door de combinatie van diploma’s en geld, waarbij de top de eigen privileges niet alleen zorgvuldig bewaakt, maar ook gevoelig zal uitbreiden. Concreet leidt dit tot een zeer snelle toename van ongelijkheid tussen verschillende groepen.

Steeds grimmiger sociale verhoudingen

Op maatschappelijk vlak heeft dit zeer bedenkelijke gevolgen, zoals het verdwijnen van de middelklasse (een kleine toplaag en een grote onderklasse blijven over), steeds grimmiger sociale verhoudingen en een toplaag die neerkijkt op de onderklasse, hun situatie is immers hun eigen schuld. Eventuele hulp vanuit de toplaag betekent een heropleving van het 19e eeuwse concept van liefdadigheid waarin de armen vooral arm moeten blijven. Slechts de materiële nood wordt gelenigd, sociale emancipatie blijft buiten beschouwing. Het gevolg hiervan is dat de onderklasse onderhevig is aan vernedering en de mogelijkheid van wraakgevoelens op de loer ligt.

Nieuwe morele maatstaf en nieuwe identiteit

Na in het zesde hoofdstuk de gevolgen van een dergelijk systeem te hebben behandeld op de ontwikkeling van jongeren (fopspeenjongeren, ‘make it or break-it’-jongeren en losers) en de ideale persoonlijkheidskenmerken te hebben besproken die bij mensen horen die carrière maken, gaat Verheaghe in het zevende hoofdstuk in op hoe wij reageren op deze nieuwe identiteit als spiegeling van het nieuwe neoliberale Grote Verhaal dat zijn eigen uitgangspunt produceert: een universeel egoïsme. Dit universele egoïsme is niet het gevolg van de verzorgingsstaat maar van de nieuwe morele maatstaf van de neoliberale meritocratie. De nieuwe norm hierbij heet efficiëntie, het doel is materiële winst en de daarbij horende deugd is hebzucht.

Deze nieuwe identiteit, gebaseerd op de nieuwe morele maatstaf brengt zo zijn eigen stoornissen met zich mee. Veel volwassenen kampen met depressies en angststoornissen onder de drukkende last van vernedering, schuldgevoelens en schaamte omdat zij beseffen dat ze er werkelijk niet toe doen in het nieuwe systeem. Sociale angst bij volwassenen door verlies aan zelfrespect is een ernstig probleem.

De typische kenmerken van ‘succes’ die als dwingende gezondheidsnorm fungeren, zijn: flexibiliteit en snelheid, efficiëntie en resultaatgerichtheid, mondigheid, competitiviteit, sociale vlotheid, en genot. Hier niet aan kunnen (of willen) beantwoorden wordt gezien als symptoom van een gestoorde identiteit en vaak ook ronduit als gevaarlijk. Vele van de betrokkenen geloven daarbij dat zij inderdaad persoonlijk gefaald hebben. Want ook zij zijn geïnfecteerd door het Grote Verhaal.

Terugkeer naar een evenwicht? De leemte aan autoriteit opvullen

In het laatste hoofdstuk tenslotte gaat Verhaeghe in op het goede leven. Voor een terugkeer naar een evenwicht tussen gelijkheid en verschil, tussen gemeenschapszin en autonomie, is het ernstig nodig de huidige arbeidsorganisatie te wijzigen en de economie op een andere manier te denken.

Volgens Verhaeghe kan die nieuwe arbeidsorganisatie het best gebaseerd zijn op een meritocratisch systeem, waarin niet kwantitatieve maar kwalitatieve evaluaties centraal staan en waarbij beloning niet alleen maar financieel is. De opvulling van de leemte aan autoriteit in het huidige systeem, waarin autoriteit vervangen is door calculerende computers en dwingende regelgeving, vormt hierbij een noodzakelijk element.

Hetzelfde zou op grotere schaal ook moeten gelden voor de nieuwe economie, waarbij men zo snel mogelijk het idee van kwantitatieve groei moet verlaten voor kwalitatieve duurzaamheid. Te allen tijde dient de economie hierbij ondergeschikt te blijven aan de maatschappij, aldus Verhaeghe.

Van consument naar burger

Daarnaast is het noodzakelijk dat we beseffen dat niet alleen de ander moet veranderen, maar dat wij zelf die ander zijn. In plaats van alleen maar consument te zijn, moeten we weer burger worden. Hiertoe is het noodzakelijk dat we ons huidige cynisme loslaten en beseffen dat de neoliberale constructie geen exclusieve waarheid is. Het zich richten op die facetten van het leven waarover we nog beslissingsrecht hebben en waarvoor we zelf verantwoordelijkheid dragen kan daarbij helpen.

Een nieuwe ethiek uitbouwen: sleutelwoorden

Om de politiek te onderwerpen aan het algemeen belang is het noodzakelijk een nieuwe ethiek uit te bouwen. Sleutelwoorden kunnen hierbij dienstdoen, aldus Verhaeghe. Dergelijke sleutelwoorden zijn in staat onderliggende associatieve complexen (deep frames) te activeren die affectief zwaarbeladen zijn en reacties vanuit de buik uitlokken. In de huidige economisch-maatschappelijke organisatie wordt enkel het deep frame van het individualisme en de separatie gestimuleerd. Verandering is enkel mogelijk door andere deep frames te activeren. Dit vindt plaats via affectief beladen waarden. Een vraag die hierbij behulpzaam kan zijn is de vraag: ‘Wat heb ik echt nodig om een goed leven te kunnen uitbouwen?’

Zorg voor zichzelf

Men slaagt er vooralsnog niet in een georganiseerde groep te vormen

Als steeds meer mensen het gevoel hebben dat er iets fundamenteel aan het fout lopen is, dan hangt er verandering in de lucht. Het aantal mensen met dat gevoel neemt toe, maar tot nader order slagen ze er niet in om een georganiseerde groep te vormen. Die mislukking is op zich een illustratie van het centrale probleem, de ver doorgevoerde individualisering (p. 238). Met de vraag ‘Wat heb ik echt nodig om een goed leven te kunnen uitbouwen’ sluit Verhaeghe aan bij het klassieke begrip ‘epimeleia’, wat ‘de zorg voor zichzelf’ betekent. Deze vraag omvat niet alleen het individu maar meteen ook de verantwoordelijkheid voor een ethische vormgeving van het eigen leven op zo’n manier dat die vormgeving aansluit bij het belang van de gemeenschap (p 239). 

Paul Verhaeghe (5 november 1955) is van opleiding klinisch psycholoog, van vorming psychoanalyticus. Zijn eerste doctoraat (1985) handelde over hysterie, zijn tweede (1992) over psychodiagnostiek. Hij werkt als hoogleraar aan de universiteit van Gent. Sedert 2000 gaat zijn belangstelling vooral uit naar de invloed van maatschappelijke veranderingen op psychologische en psychiatrische moeilijkheden. (Bron: paulverhaeghe.psychoanalyses.be )

Meer informmatie over zijn nieuwste boek Autoriteit   
U kunt hier ook de boekpresentatie beluisteren van Autoriteit

Voor de lezing waarover ik in de inleiding sprak, zie onderstaande video: