Jacobs vluch300tJacobs vlucht schets op fascinerende wijze het verhaal van opeenvolgende generaties van één familie, in de periode 1560 tot en met juli 1684. 

Het begon allemaal toen Graig Harline (hoogleraar aan Brigham Young University) in Brussel op het dagboek van Jacob Roelands (1633-1683) stuitte, dat gedeeltelijk in geheimtaal geschreven is. Zoiets maakt natuurlijk nieuwsgierig.

Harline besloot de code te kraken en had daar slechts twee dagen voor nodig (dat de sleutel hiertoe, bij nader inzien, al op de kaft van het dagboek stond ontdekte hij pas naderhand). Wat hij las, maakte hem nieuwsgierig.

Verder onderzoek leverde zoveel materiaal op over de familie Rolandus dat hij over hen uiteindelijk twee boeken schreef. Het eerste verscheen in 2011 bij Yale University Press en draagt de titel Conversions.Two Family Stories From the Reformation and Modern America. In dit boek ligt de nadruk op het verhaal van de jonge Jacob Roelands, en dus op het thema van religieus gemengde families. Het tweede – hier besproken - boek, dat bij Uitgeverij Vantilt verscheen, is Jacobs vlucht. Een familiesaga uit de Gouden Eeuw.

Het fascinerende van dit boek is dat het in een tijdspanne van vier generaties de religieuze spanningen in het 16e en 17e eeuwse Nederland op magnifieke wijze beschrijft in verhalen ‘van vlees en bloed’. Harline doet dat door middel van het vertellen van de levensgeschiedenissen van de kleermaker Roeland Jacobsz Uyttenhoven, diens zoon Jacob die dominee werd in het nieuwe geloof, diens zoon Timotheus (eveneens dominee) en diens zoon Jacob (de jonge Jacob ofwel Jacob Roelands, degene die het dagboek schreef dat Harline in Brussel vond).

Het verhaal over Roeland Jacobsz Uyttenhoven en diens zoon Jacob (de ‘oude Jacob’) beslaat 125 pagina’s; het verhaal van de dominee Timotheus beslaat 56 pagina’s (van hem zijn de minste sporen bewaarde gebleven); het verhaal van de jonge Jacob beslaat 118 pagina’s. Het boek wordt afgesloten met een Achteraf en een Bibliografisch overzicht. In het Achteraf beschrijft Harline hoe hij de sporen (materieel en immaterieel) heeft weten te achterhalen waarop het boek is gebaseerd. Hieruit wordt ook gelijk duidelijk dat de historicus Harline een uitmuntend spoorzoeker is die van droge feiten een boeiend verhaal weet te construeren dat de lezer blijft trekken. Het Bibliografische overzicht geeft per deel een overzicht van de gebruikte primaire bronnen, gevolgd door de secundaire bronnen die het meest werden geraadpleegd.

Roelandt Jacobsz Uyttenhoeven en de ‘oude Jacob’

Bekering was destijds een hachelijke onderneming omdat het als ketterij werd gezien

De kleermaker Roelandt Jacobsz Uyttenhoven bekeert zich omstreeks 1560 in Delft van het katholicisme tot het nieuwe geloof, de Gereformeerde religie. Dit was destijds een hachelijke onderneming omdat het indruiste tegen de wet en als ketterij werd gezien. Daardoor was er in die tijd in Delft ook nog geen volwaardige geloofsgemeenschap, men kwam er samen in schuilkerkjes. Dit om de spionnen, die klaarstonden om de aanhangers van het nieuwe geloof te verraden (en daartoe ook werden opgeroepen), niet in de kaart te spelen. Dat je niet zomaar tot zo’n schuilkerkje werd toegelaten, spreekt vanzelf. Je kon immers niet te vertrouwen zijn.

“Van alle nieuwe stromingen binnen het christendom waren vooral de gereformeerden dodelijk serieus over elk individueel lid dat officieel ja zei tegen een lijst van zorgvuldig uitgespelde geloofspunten en praktijken, en over het feit dat zo’n lid moest worden gestraft als hij een daarvan overtrad.” (p. 23)  Roelandt Jacobsz Uyttenhoven zwoer in deze gemeenschap zijn oude geloof af en maakte met een belijdenis zijn rechtzinnigheid duidelijk. Hij werd diaken in Delft maar werd in 1568 formeel verbannen vanwege zijn ketterse geloof. Zijn vrouw bleef met hun zoon Jacob en eventuele andere kinderen achter, hij ging in ballingschap. Eind 1570 volgde zijn vrouw hem met de kinderen. Waar ze precies geweest zijn (in Duitsland of Engeland) is niet meer bekend. Duidelijk is wel dat toen hun zoon Jacob predikant werd, hij eerst actief was in een Duitse stad, de stad Moers.

Nog voor 1577 werd Antwerpen de onbetwistbare leider van het gereformeerde Nederlandse universum. In 1580 namen de calvinisten het bestuur van de stad over en werd de stad uitgeroepen tot volwaardige Calvinistische Republiek. Ondanks het feit dat slechts een kwart van de snelgroeiende bevolking gereformeerd was, vormde de stad de grootste gemeenschap van Nederlandse gereformeerden. Geen wonder dat Jacob daar naartoe wilde. Dat deed hij in 1580 en hij zette er zijn opleiding als predikant aan het gereformeerde seminarium voort. Hij “kwam […] uit Moers, in het Rijnland, waar een kleine gemeenschap van gereformeerde Nederlandse vluchtelingen bivakkeerde (…)” (p. 43).  Gezien zijn talenten besloten de stadsbestuurders van Antwerpen Jacob een toelage van 150 gulden per jaar te geven om zijn studie in Genève voort te zetten. Dat deden ze niet voor niets, ze wilden Jacob na zijn opleiding in Genève terugzien als predikant in Antwerpen. Geleerde predikanten waren niet gemakkelijk te vinden. Jacob ging hier graag mee akkoord en in december 1582 vertrok hij naar Genève. Zijn vader, Roelandt Jacobsz Uyttenhoven, was het jaar daarvoor overleden. De politieke situatie van Antwerpen was uiterst gespannen toen hij de stad verliet. Op 12 januari 1583 legde Jacob voor de rector van de Academie de geloofsbelijdenis af, waarbij hij het katholicisme en anabaptisme expliciet afwees, en het lutheranisme tussen de regels” (p. 59). Zijn laatste anderhalf jaar als student bracht hij vervolgens in Heidelberg door. Omdat Antwerpen tegen de tijd dat hij was afgestudeerd niet meer in calvinistische handen was kon Jacob zijn belofte om als predikant naar Antwerpen terug te keren na zijn studie niet nakomen. Hij aanvaarde daarom beroepingen in Wiesloch (13 km ten zuiden van Heidelberg, 1587)), Germersheim (35 km ten zuidwesten van Wiesloch), Delft (1594), Frankenthal (in de Palts, 1598) en Amsterdam (1603).  Voordat hij naar Delft kwam (midden december 1593) huwde hij met Maria Franssen Doucy (Marijtje, zoals hij haar noemde), met wie hij al snel kinderen kreeg. Zij zou in 1619, tot groot verdriet van Jacob, al overlijden.

Toen de remonstranten veel onrust in de samenleving teweegbrachten, stelde een nationale synode te Dordrecht (1618-1619) de vraag wat met hen te doen. Ook Jacob was op deze synode aanwezig en vervulde er zelfs een prominente rol. Op deze synode werd ook besloten tot de vertaling van de Bijbel. Dit vertaalproject was belangrijk omdat er al 53 verschillende vertalingen circuleerden, die vanwege de onderlinge verschillen verwarring zaaiden. Jacob werd tijdens de synode, samen met vijf andere vertalers, gekozen deze taak tot een goed einde te brengen. Hij werd benoemd tot hoofdvertaler voor het Nieuwe Testament en de apocriefen, en plaatsvervanger voor het Oude Testament. Het zou echter tot 1627 duren voordat zij daadwerkelijk aan de slag konden. Het wachten was op de goedkeuring van de Staten-Generaal opdat de vertalers met hun vertaalwerk een inkomen zouden verdienen en samen in Leiden aan de vertaling konden werken.

Over de remonstranten werd tijdens deze synode besloten dat zij hun ketterij moesten afzweren of het land moesten verlaten, wat de meesten ook deden. Vanaf nu moest iedere dominee de leerregels van Dordrecht ondertekenen. Hiermee was het probleem echter geenszins opgelost, zo zou Jacob nog veelvuldig merken.

Jacob hertrouwde in juli 1620, na het overlijden van Marijtje in 1619, met de 39 jaar jonge Frerikje Pieters. Zij zou echter, negen maanden na hun huwelijk, in april 1621 ook overlijden. Jacob trouwde in maart 1623 opnieuw, op 61 jarige leeftijd, dit keer met de 53 jarige Barbara de Weerdt. Het huwelijk zou nooit echt goed gaan, vooral vanwege zijn kinderen.

Jacob wilde, om zich aan zijn vertaalopdracht te kunnen wijden, naar Leiden verhuizen. Zijn vrouw wilde wel met hem mee, maar zonder zijn meerderjarige kinderen. Jacob weigerde dat, en zo begon de ruzie tussen Barbara en hem. Die zou niet meer over gaan, tot aan zijn dood leefden zij gescheiden. Jacob vertrok samen met zijn kinderen naar Leiden, Barbara bleef achter in Amsterdam. Jacob stierf in Leiden, op 3 juni 1632, en werd begraven in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. In 1634 werd het vertaalproject afgerond, Jacob maakte het niet meer mee.

Timotheus

Het leven van Timotheus, de zoon van Jacob en Marijtje, is aanzienlijk minder bewogen dan dat van zijn grootvader en vader. Na zijn studies in Heidelberg, Marburg, Bazel en Genève wordt hij beroepen in Ouderkerk, een kleine gemeente van 40 gereformeerden. Timotheus doet plichtsgetrouw zijn werk en hoopt vergeefs dat er voor hem wel een betere aanstelling zal komen.

Kort na zijn huwelijk met Sara de Meester in 1623, vlak na het derde huwelijk van zijn vader, overlijdt zijn vrouw al. In maart 1626 hertrouwt de 32 jarige Timotheus met de Amsterdamse Catharina Ruts, 28 jaar oud. Zij krijgen twee kinderen: Maria en Jacob. Jacob wordt geboren op 15 januari 1633. Of Maria ouder of jonger was dan Jacob is niet bekend, maar in haar latere brieven aan Jacob klinkt zij ouder en zij nam eerder deel aan het Avondmaal. Timotheus koesterde grootse plannen voor Jacob, die hij zelf onderwees.

Ouderkerk was in de jaren 1640 een beruchte verzamelplaats voor papisten waar de dominees weinig tegen konden beginnen omdat de schout en de schepenen niet optraden. Daarover waren zowel Timotheus als de classis verbitterd geraakt.  Het grootste probleem voor Timotheus waren echter niet deze ‘paapse wolven die om zijn kudde heenslopen’ maar zijn bloedeigen kudde en zijn bloedeigen broeder-dominees van de classis. Vanuit de gemeente werden er klachten ingebracht tegen Timotheus, die daar al 25 jaar werkte. En hoewel Timotheus op de steun van zijn broeder-dominees rekende, bleef die achterwege.

De problemen waren met geld begonnen. Omdat hij er te weinig van had, had hij 400 gulden geleend uit het armenblok van de kerk (en dat terugbetaald), maar zonder dat de kerkenraad ervan wist. Het eerste bleek te vergeven, het laatste werd tot onoverkomelijk probleem. Daar bleef het echter niet bij. Er ontstond een interne strijd over de toestemming om aan het Avondmaal deel te nemen. De onderlinge spanningen stapelden zich in de loop der jaren op en leiden tot een onderzoek naar het functioneren van Timotheus. De jonge Jacob maakte de strijd van dichtbij mee. Hij was oud genoeg om te begrijpen wat er aan de hand was en zou de vernedering van zijn vader, hemzelf en de rest van de familie nooit vergeten.  Uiteindelijk zou Timotheus worden beroepen in de Meierij, het katholieke noordoostelijke kwartier van het hertogdom Brabant, waar door de Staten-Generaal een leger predikanten naartoe werd gestuurd om de reformatie te verspreiden.

De verhoopte bekeringen kwamen er in de Meierij nooit

Het aantal predikanten dat uiteindelijk werd gestuurd viel echter sterk tegen en de verhoopte bekeringen kwamen er nooit. “De katholieke gemeenschappen waren niet alleen veel talrijker, ze waren ook woedend omdat hun kostbare kerken werden afgepakt voor een handjevol ketters, terwijl katholieken zelf hun geloof schuw in benauwde zolderkamers en schuren moesten beleven, waar binnengesmokkelde priesters de mis opdroegen terwijl wachters bij de deur op de uitkijk stonden. Niet lang nadat de dominees en de gereformeerde staatsambtenaren in de Meierij aan begonnen te komen, regende het verslagen over plaatselijke katholieken die gereformeerde diensten verstoorden, klokken vastbonden, preekstoelen vernielden, gesmolten lood in sleutelgaten goten en leerden dat de gereformeerden vijanden van Christus ‘kruis waren en kinderen van de duivel. En wat voor Timotheus Rolandus zeer tastbaar was: waar ze ook maar konden, weigerden ze aan dominees een huis te verhuren.” (p. 182)

Timotheus komt in deze situatie eerst drieënhalf jaar in Gestel terecht en krijgt daarna de kans om dominee in Boxtel te worden. Die laatste plek had als voordeel over een pastorie te beschikken.  

Des te erger – in deze situatie – zijn de geruchten dat de zoon van Timotheus, de dan 21-jarige Jacob, iets vriendschappelijker omging met de plaatselijke katholieken dan passend was voor een domineeszoon. Niets bevorderde bekeringen immers meer dan het voorbeeld van een goede predikant en zijn familie. Wanneer Timotheus ook in Boxtel weer ruzie krijgt, in dit geval over een kleine schuur en een stukje grond, vlak bij de grens tussen zijn eigendom en dat van zijn buurman (de schoolmeester) en over het bedienen van het Avondmaal (met dezelfde schoolmeester) en Timotheus zich hier weinig flexibel in opstelt zorgt dit ervoor dat de geruchten over zijn zoon steeds heviger worden. Voor Timotheus vormde het aanleiding de aanstichters voor het gerecht te dagen. Dat deed hij in 1654. Ook in dit conflict zouden Timotheus broeder-dominees hem weer vierkant tegenwerken. Een herhaling van de situatie in Ouderkerk.  

Toen Timotheus daar bovenop ontdekte dat zijn zoon de kerkvaders begon te lezen, sloeg de schrik hem om het hart. Er zat dus waarheid in de geruchten die over hem de ronde deden. “Iedereen wist dat zo ongeveer iedereen – katholieken, gereformeerden, lutheranen, mennonieten, noem maar op – bij wie er vragen begonnen te rijzen over de zuiverheid van zijn of haar godsdienst, bijna altijd bij de kerkvaders te rade ging om te zien wat zij daarover hadden gezegd en dat te vergelijken met wat ze in hun eigen godsdienst ervoeren. Want bijna iedereen was het erover eens dat het christendom in die dagen zuiver was geweest. Als wat de kerkvaders schreven dus niet overeenkwam met jouw godsdienst, moest je misschien op zoek naar een andere.” (p. 201). Logisch dat Timotheus gealarmeerd was.

De jonge Jacob

Het deel over de jonge Jacob zoemt in op zijn bekeringsgeschiedenis. Zo kort na de tachtigjarige oorlog (1568-1648), waarin katholieken en protestanten elkaar fel hadden bestreden, en deze spanningen nog in de samenleving zinderde, was dit schokkend nieuws. Bovenal voor Jacobs eigen familie en dan met name zijn vader Timotheus, die dominee was in het overwegend katholieke Boxtel (2400 katholieken; 40 protestanten) en het daar al moeilijk genoeg mee had. Geen wonder dat Jacob geheimtaal gebruikte om over zijn persoonlijke bekeringsgeschiedenis te schrijven.

Jacob's vlucht zal hem een niet maken voor zijn streng gereformeerde familie

De spanningen rond zijn bekering en de onmogelijkheid om daar uitdrukking aan te geven zetten Jacob ertoe aan op de vlucht te slaan naar Antwerpen. Hij had zich echter voor die tijd al officieel bekeerd, op 24 april 1654. “Jacobs vlucht zal hem een niet maken voor zijn streng gereformeerde familie. Hij verlaat hen, hun huis en hun geloof om zich bij de godsdienst aan te sluiten die zijn overgrootvader een eeuw geleden de rug heeft toegekeerd en die de Rolandussen sindsdien altijd hebben beschouwd als de hoer van Babylon, het koninkrijk van de duivel en de fontein van alle slechtheid” (p. 210).  Jacob, op zijn beurt, was ervan overtuigd dat zijn familie een valse godsdienst aanhing en hij door zijn bekering tot in de eeuwigheid van zijn ouders gescheiden zou zijn. Hij besloot echter zijn geweten te volgen en te doen wat zijn vader hem geleerd had te doen: God gehoorzamen, meer dan de mens.

In de eerste jaren na zijn vlucht zag Jacob nog regelmatig familie en dorpsbewoners uit Boxtel in Antwerpen. Zo beef hij nog op de hoogte van de ontwikkelingen thuis. Die deden hem pijn. Het zette hem ertoe aan een brief te schrijven aan zijn ouders. Zij hebben echter nooit op die brief gereageerd. In hun plaats antwoordde zijn zus Maria. Dat vormt het begin van een briefwisseling die drie jaar zal duren. Beiden koesterden de hoop elkaar te kunnen bekeren. Toen het Maria echter duidelijk werd dat het niet zou lukken Jacob tot andere gedachten te brengen stopte zij in september 1657 met schrijven. Jacob zou de laatste zesentwintig jaar van zijn leven nooit meer iets uit de eerste hand over zijn familie vernemen. Zelf bleef hij hen nog lange tijd schrijven.

Jacob kwam terecht bij de jezuïeten in Antwerpen. Deze waren daar aanvankelijk niet echt blij mee omdat Jacob nog minderjarig was en zij al de naam hadden zonen bij hun ouders weg te stelen. Timotheus ergerde zich hier zo aan dat hij een proces startte tegen de jezuïeten, die zijn zoon gevangen zouden houden. Toen echter duidelijk werd dat het de keuze van Jacob zelf kwam, kon Timotheus verder niets meer beginnen. In oktober 1654 begon Jacob dan met zijn studie aan de hogeschool van de jezuïeten in Antwerpen. Tijdens deze jaren groeide in hem het verlangen zelf jezuïet te worden, wat hij in september 1658 ook zou doen, na een verblijf in Rome.  In juni 1663 vertrok hij vervolgens als missionaris naar Salvador de Bahía in Brazilië. Zijn verblijf daar had aanvankelijk succes, maar toen zijn werk werd vernietigd door slavenhandelaars was dit een grote klap voor Jacob, die hij eigenlijk niet meer te boven kwam. Zijn laatste dagen zou hij, in juni 1684, doorbrengen op São Tomé, een eilandje aan de Afrikaanse kust. Daar overleed hij aan malaria.

Wat is waarheid?

Het schrille contrast dat in het hele boek van de pagina’s zindert en je als lezer steeds opnieuw levensecht naar de keel grijpt is de vraag wie van de hoofdpersonen nu de waarheid in pacht heeft. Met Jacob en zijn geliefden onderga je de wanhoop en vertwijfeling en dan weer de hoop en de vreugde. Harline is een meester in het verwoorden van emoties, niet door ze als zodanig te benoemen maar door ze in het verhaal te omspelen. “Voor Jacob en Maria was er maar één antwoord. Er kon niet één waarheid zijn voor Jacob en een andere voor Maria. Er waren meerdere kerken, niet omdat verschillende mensen op verschillende manieren tot God moesten komen, maar omdat Satan de harten ophitste van de zwakken en van wie vatbaar was voor ketterij. Er was dan ook geen enkele manier waarop broer en zus zich volledig met elkaar konden verzoenen. Zij konden verdraagzaamheid aan de dag leggen, tolerant zijn, respect hebben en met elkaar schrijven. Maar de samensmelting der harten waar zij op hoopten, vonden ze niet, niet tot zij samen door dezelfde lens keken. Niet tot de een zich tot de waarheid van de ander had bekeer. Tot dé waarheid” (p. 274).

Het boek maakt duidelijk dat de Gouden Eeuw (zeventiende eeuw), een periode die vooral buiten Nederland wordt geprezen om zijn religieuze tolerantie, bol staat van spanningen.  Waar voordien het katholicisme maatgevend was en het gereformeerde geloof bij wet werd verboden, legitimeerde de Staten-Generaal, sinds de Synode van Dordrecht (1618-1619), de machtspositie van de protestantse minderheid. Dit had tot gevolg dat de katholieke meerderheid in het gedrang kwam, met alle gevolgen van dien. 

Jacobs vlucht verscheen bij Uitgeverij Vantilt

Meer informatie over de auteur en het boek: