Pastor Jan van der Zandt is al 27 jaar werkzaam voor het Pastoraat voor Woonwagenbewoners, Sinti en Roma. Hij heeft in al die jaren veel zien veranderen. Van een rondtrekkend bestaan zijn deze groepen gelovigen steeds vaster komen te zitten aan een bepaalde locatie in Nederland. Spiritueel Erfgoed sprak met hem over de betekenis van een trekkend bestaan en de gevolgen van het overheidsbeleid voor de cultuur van deze bevolkingsgroepen.

Het Pastoraat voor woonwagenbewoners, Sinti en Roma in Nederland – PWN - houdt zich vanuit de rooms-katholieke Kerk bezig met pastorale zorg en diaconale hulp aan deze bevolkingsgroepen in Nederland. Pastor Jan van der Zandt msc (Missionaris van het Heilig Hart) zet zich al 27 jaar voor hen in. In die jaren heeft hij veel zien veranderen. Van een rondtrekkend bestaan zijn deze groepen steeds vaster komen te zitten aan een bepaalde locatie, in woonwagencentra en in woonwijken. De regering speelde hierin een eigen maar invloedrijke rol. Pastor Jan van der Zandt vertelt over de geschiedenis van deze bevolkingsgroepen in Nederland, hun situatie nu en de rol die religie in deze gemeenschappen speelt.

Het is belangrijk onderscheid te maken tussen de drie bevolkingsgroepen waar wij ons voor inzetten, legt pastor Van der Zandt uit. Vaak worden ze op één hoop gegooid, er zijn echter verschillen. De woonwagenbewoners zijn Nederlanders, ze bestaan eigenlijk uit drie groepen met allemaal een andere achtergrond. De eerste groep is voor de negentiende eeuw gaan rondtrekken om aan de kost te komen. Bekende voorbeelden van die groep zijn bijvoorbeeld de lapjesverkopers uit Duitsland die zich in Nederland vestigden en waaruit bijvoorbeeld Vroom & Dreesmann en C&A zijn voortgekomen. Een tweede groep is afkomstig uit Frankrijk, deserteurs die hier in Nederland betrekkelijke vrijheid vonden. De derde groep bestaat uit mensen die gingen rondtrekken omdat er een huizentekort ontstond eind negentiende eeuw. Zij gingen in een woonwagen leven en zochten de seizoenarbeid bij de boeren op. Zij kwamen in grote groepen maar kenden ook grote armoede. Ze hielpen bij de aardappelteelt en de kersenpluk. Maar onder hen waren ook veel mandenmakers, stoelenvlechters, scharenslijpers en tin en koperwerkers. Zij trokken van dorp naar dorp en oefenden al reizend hun beroep uit. Toen in 1968 het reizen bij wet verboden werd vonden ze werk als voddenboeren of in de oud-ijzerhandel.

Van concentratie naar deconcentratie

Vanaf 1968 werden deze bevolkingsgroepen ondergebracht in woonwagencentra. Dat werkte concentratie op vaste locaties in Nederland in de hand. In 1978 was de overheid een andere mening toegedaan. In plaats van concentratie diende er juist aan deconcentratie gewerkt te worden. De grote woonwagencentra werden grotendeels opgeheven, de bewoners van de centra werden ondergebracht op kleine centra in bebouwde kommen, ze gingen deel uitmaken van het gemeentelijke leven en van alle diensten die binnen de gemeenten aangeboden werden. Dat proces van deconcentratie verliep de overheid echter niet snel genoeg. In 1999 werd daarom de wet opgeheven die de woonwagenbewoners moest beschermen en die hen verzekerde van huisvesting, scholing en welzijn. Die wet had bestaan vanaf 1918. Van de 50 grote woonwagencentra die toen bestonden en die verdeeld waren over heel Nederland, zijn er nu nog maar zo'n 15 over. Met de opheffing van de wet is ook de bestuursvorm verdwenen die de wet in praktijk bracht. Zo kende ieder woonwagencentrum een zogenoemd woonwagenschap dat ervoor zorgde dat de voorzieningen voor het centrum gerealiseerd werden. Helaas maakten woonwagenbewoners zelf geen onderdeel uit van de woonwagenschappen. Vanaf 1999 vallen de nog bestaande centra onder het gemeentebeleid. Dat betekent dat er geen aparte voorzieningen meer zijn, zoals een school, gymzalen, maar ook een kerk of kapel. De bewoners zijn voor deze voorzieningen nu aangewezen op de gemeente en parochie waarin ze verblijven. Ook de woninghuisvesting van deze centra valt daardoor onder de gewone huisvestingswet. Dat betekent dat de woonwagens zijn opgenomen in het reguliere aanbod van huisvesting en dus langzamerhand ook gewone Nederlandse burgers onderdeel gaan uitmaken van deze centra. Andersom dienen woonwagenbewoners ook andersoortige woonruimte te accepteren, waardoor ze buiten de centra komen te wonen.

vuurSinti

De tweede bevolkingsgroep waarvoor wij ons inzetten zijn de Sinti. Zij komen oorspronkelijk uit India en Pakistan. Vanaf de 12e eeuw trokken zij daar, vermoedelijk onder invloed van religieuze spanningen, weg richting Turkije en Noord-Europa. Rond 1420 zijn de eerste Sinti in Deventer gesignaleerd. Zij hebben zich al die tijd nooit vermengd met de Nederlandse bevolking. Dat heeft te maken met de strenge huwelijkswetten die zij onderhouden. Doordat ze zich daardoor altijd afzijdig hebben gehouden zijn ze het doelwit geworden van discriminatie, uitsluiting en uiteindelijk in de Tweede Wereldoorlog van deportatie. Het is de groep die we ook wel 'zigeuners' hebben genoemd. Onder de Sinti zelf heeft echter na de Tweede Wereldoorlog een bewustwordingsproces plaatsgevonden. De naam 'zigeuner' betekent eigenlijk 'rondtrekkende bandiet' (ziehende Gauner), ze willen zich graag van deze naam distantiëren. De Sinti wonen in Nederland allemaal nog op woonwagencentra, die zich vooral in Limburg bevinden.

Roma

De derde bevolkingsgroep zijn de Roma. Deze groep is vanuit India/Pakistan terechtgekomen in Oost-Europa, met name in het voormalige Joegoslavië. Daar bevindt zich nog steeds een grote groep Roma. Ze hebben daar veel te lijden gehad, en nog steeds, onder discriminatie. De Roma kennen evenals de Sinti een strenge wetgeving, mogelijk werkt dat ook bij hen uitsluiting in de hand. In de communistische periode waren de Roma in Joegaslavië verplicht te werken, na het verdwijnen van het communistische regime werden ze echter teruggedrongen in getto's. Voor velen was dat een reden om te vluchten. In 1978 kwamen deze vluchtelingen aan in Nederland en werden opgevangen in elf grote centra verspreid over Nederland. Gaandeweg kregen ze de Nederlandse nationaliteit. Zij vielen echter niet onder de woonwagenwet. Vanaf 1988 heeft dat ertoe geleid dat hun centra werden opgeheven en ze verdeeld werden over woonwijken. Dat had tot gevolg dat de familiale verbanden waarin zij gewoon waren te leven werden verbroken. Dat heeft grote gevolgen gehad voor hun welzijn. De laatste jaren is er met name vanuit Kosovo een grote stroom Roma naar Nederland gekomen en nu zie je een stroom van duizenden Roma, vooral vrouwen en kinderen, uit de EU-landen West-Europa binnentrekken, zij verblijven hier veelal illegaal.

Pastorale zorg in context

In de grote centra heeft het zogenaamde categoriale pastoraat in de 20ste eeuw zich intensief ingezet voor de pastorale zorg voor deze bevolkingsgroepen. Marga Klompé, eertijds minister van Maatschappelijk Werk, die de architect was van deze grote centra en van huis uit katholiek, zorgde er destijds voor dat er naast maatschappelijke voorzieningen ook altijd een kerkje werd gebouwd op deze centra. Omdat deze mensen altijd hadden rondgetrokken hadden ze in de loop van de jaren goede banden opgebouwd met religieuzen in Nederland. Vaak hadden ze een staplek gevonden voor hun wagen bij kloosters en abdijen waar ze voedsel konden krijgen. Toen in 1968 bij wet geregeld werd dat zij niet langer mochten rondreizen en een vaste staplek op de grote centra kregen stelden veel congregaties priesters, paters vrij om als aalmoezenier op één van de centra te werken. In die eigen kerkjes was alle ruimte voor de eigen geloofsbeleving die sterk getekend wordt door volksreligiositeit. Eind jaren zeventig betekende echter het einde van deze grote centra, ze moesten langzamerhand afgebouwd worden, met als gevolg dat er geen nieuwe aalmoezeniers meer benoemd werden. Tot dan toe had het PWN deze aalmoezeniers aangestuurd. Ook voor het PWN ontstond daardoor een nieuwe situatie.

Communicatie en participatie

Omdat deze bevolkingsgroepen vanaf dat moment voor hun geloofsbeleving waren aangewezen op het leven binnen gemeentegrenzen en dus binnen parochies is het PWN zich gaan inzetten om de interesse van de parochies te wekken voor hen. Dat bleek en blijkt niet gemakkelijk te zijn. Het verschil in cultuur en gebruiken, de andersheid, maakt communicatie en participatie voor hen niet gemakkelijk. "Zo maakte ik onlangs nog mee dat twee woonwagenkinderen in een voorbereidingsgroep van in totaal 68 communicantjes buiten de boot vielen. In overleg met de plaatselijke pastor heb ik op de zaterdagmiddag een aparte viering verzorgd voor deze twee kinderen en hun families. Ze hadden de viering helemaal zelf voorbereid en een eigen boekje gemaakt. Hun geloof is spontaan, een echt gevoelsgeloof. Dat uit zich ook in de wijze waarop zij aanwezig zijn in een kerkgebouw en aan een viering deelnemen. Dat verdraagt zich niet goed met de manier waarop pastores en Nederlandse gelovigen gewend zijn te vieren, in stilte en volgens vaste patronen. Zo'n communiefeest is ook iets van de hele familie, en dan bedoel ik opa en oma, ouders en broertjes en zusjes, ooms en tantes, neefjes en nichtjes. Het is één groot feest, en dat mag duidelijk zijn," aldus pater Van der Zandt.

Via de natuurlijke weg

processie2Pastor Van der Zandt gelooft dat deze manier van uitdrukking geven aan het geloof ook zijn positieve invloed kan hebben op de katholieke Kerk in Nederland. Maar zoiets moet langzaam groeien en via de natuurlijke weg verlopen. Wanneer een parochie bijvoorbeeld een bedevaart organiseert kan het een goed idee zijn om ook deze groepen mensen uit te nodigen deel te nemen. Maar ook dat is niet altijd gemakkelijk. Juist op reis treden verschillen tussen mensen vaak heel nadrukkelijk op de voorgrond, daar moet je als pastor of als organisatoren ook mee om kunnen gaan, anders wordt de afstand alleen maar groter. Een ander belangrijk punt om deelname en integratie van deze groepen in het parochiële leven te bevorderen is het verstrekken van informatie. Het PWN probeert dat door het uitgeven van een nieuwsbrief en jaarlijkse brochures waarin wordt geprobeerd de geloofsbeleving van deze groepen dichterbij te brengen. Daarnaast verzorgt het PWN ook toerustingscursussen voor pastores en parochiële vrijwilligers, onder de naam Wagenderwijs.

Tradities

"Tja, in de afgelopen 27 jaar dat ik dit werk nu doe, heb ik veel zien veranderen. Wanneer ik de situatie nu bekijk dan kun je eigenlijk speken van vier groepen Roma." De oma's en de opa's, de groep die in 1978 naar Nederland is gekomen en het grootste gedeelte van hun leven gereisd heeft; de ouders – mensen tussen de dertig en de vijftig – die het grootste gedeelte van hun leven in familie-/groepsverband hebben gewoond; de groep tussen de 18 en 30 jaar die eigenlijk een beetje tussen de wal en het schip valt. Van jongsaf aan woonden zij in familieverbanden maar zij wonen nu door toedoen van het overheidsbeleid in rijtjeshuizen. Ten slotte heb je de kinderen die alleen de situatie van de rijtjeshuizen kennen en grotendeels geïntegreerd zijn in de Nederlandse burgerlijke samenleving. De oudsten verlangen eigenlijk terug naar een reizend bestaan, de ouders naar het verblijf in de woonwagencentra, de groep tussen 18 en 30 bevindt zich door hun tweevoudige ervaringen eigenlijk in een soort identiteitscrisis, ze neigen naar het verleden maar voelen zich ook thuis in de rijtjeshuizen. Deze verschillen treden duidelijk aan de dag bij bijvoorbeeld eerste communiefeesten. De kinderen willen het liefst met hun vriendjes en vriendinnetjes de eerste communie vieren. De familietraditie en de wetgeving van de gemeenschappen vraagt echter om eigen vormgeving. De eerste communie is in deze tradities van oudsher een soort overgangsritueel, een soort bruiloftsfeest. Vroeger trouwde men niet voor de kerk en voor de staat. Het feest van de eerste communie fungeerde als vervanging voor een huwelijksfeest. Het meisje werd gekleed als een bruid, de jongen als bruidegom. De eerste communie diende als een opname in de eigen gemeenschap als volwassenen. Vanaf dat moment ging men ook pas naar school, het vormde dus als het ware de overgang tussen een leven binnen de gemeenschap naar een zich begeven onder andere mensen.

Groeikracht en geestkracht

Hoewel de meeste mensen van deze bevolkingsgroepen katholiek zijn, zie je dat er ook gemakkelijk deelgenomen wordt aan de Pinksterbeweging. Deze kleinschalige gemeenschappen zijn met name vanuit Frankrijk komen overwaaien. Zeker in de groep tussen 18 en 30 jaar zie je mensen vastlopen in de structuren van de maatschappij, zij zoeken bij de pinksterbeweging vrijheid. Wat je wel ziet is dat vooral Roma en Sinti in de winterperiode sterk betrokken zijn bij de katholieke Kerk, maar in het voorjaar en de zomer, wanneer het bloed kriebelt, trekken ze naar de pinksterbeweging, die meer vrijheid biedt. Zo zie je dat de cultuur belangrijker is dan gebondenheid aan één specifieke geloofstraditie. De vrijheid die men zoekt vond men voordien in het rondtrekkende bestaan, reizen betekende voor hen 'een lijntje met God openhouden'. Zeker de natuurbeleving die in het voorjaar heel intensief was betekende een overgang van de dood naar het leven. In de groeikracht van de natuur vonden zij nieuwe geestkracht. Je ziet dan ook allerlei nieuwe initiatieven groeien in het voorjaar, mensen trekken eropuit, er wordt handel gedreven. Het reizen moet je binnen die kaders begrijpen. Bovendien brachten de reizigers veel kennis mee. Zij wisten waar de markten waren, waar goed gehandeld kon worden. Daarnaast bracht het reizen hen tevens in contact met andere religies. Omdat men spontaan is, gevoelsmens, legt men ook gemakkelijk contact, of dat nu met andere christenen is of met mensen die een andere religie aanhangen. Het gesprek gaat al snel over wat we allemaal met elkaar delen, de bewondering voor de natuur of de geboorte van een kind. Uiteindelijk is dat door God gegeven, hoe we die God dan ook noemen. De reizende mens is bij uitstek een oecumenisch mens met een grote geestkracht en spankracht. De huidige situatie legt deze geestkracht en spankracht aan banden, perkt haar in. Wanneer er nu gereisd wordt, heeft dat met name tot doel elkaar te ontmoeten, de familiebanden weer aan te halen. Door de huisvesting in woonhuizen heeft met name de groep tussen 18 en 30 jaar zich vermengd met burgermensen. Voordien huwde men alleen binnen de eigen gemeenschap. Deze nieuwe situatie brengt met zich mee dat de partners niet altijd behoefte hebben aan deze grootschalige familiale gebeurtenissen. Dat brengt verlies aan cultuur met zich mee.

Nog zoveel te doen

Het PWN probeert ook ondersteuning te bieden bij de problemen waar deze mensen in de Nederlandse samenleving tegenaan lopen. Zo is het voor velen van hen erg moeilijk om werk te vinden. De werkzoekenden onder hen hebben relatief weinig scholing ontvangen, en omdat ze vaak pas op zeven-/achtjarige leeftijd naar school gingen hebben zij een achterstand opgelopen die niet meer in te halen bleek. Dat maakt hen tot een kwetsbare groep. Zeker de oudsten onder hen hebben geen pensioen opgebouwd. Nu gaan de meeste kinderen naar het bijzonder onderwijs, thuis wordt Romanes gesproken. Toch moet de oudere groep het in de toekomst hebben van deze kinderen. De vrouwen leven in deze groepen erg afgeschermd, zij worden vaak op zeer jonge leeftijd uitgehuwelijkt, krijgen jong kinderen en voeden hun kinderen op binnen het familieverband, in het huis van de ouders. Van de nog jonggehuwde mannen wordt verwacht dat zij vanaf dat moment hun eigen weg zoeken. Het PWN is met hulp van Cordaid een Helproject gestart om deze jongeren te begeleiden bij de contacten met het maatschappelijk werk, heel doelgericht. "In de toekomst hoop ik een soort maatjesproject op te starten. Er zijn zoveel ouderen met zoveel ervaring, die stoppen met werken. Tegen hen zou ik willen zeggen, 'Kom, er is geen tijd om te rusten, er moet nog zoveel gebeuren in Nederland!' Ook kerken zouden daar veel meer een beroep op kunnen doen. Het gaat om vaak wijze mensen, die contacten hebben die nuttig ingezet zouden kunnen worden ten bate van achtergestelde groepen in de samenleving. Ze beschikken over een schat van ervaring. Wanneer de staat niet voor hen opkomt, dan moeten de kerken het doen. Er is nog zoveel te doen!" zegt pater Van der Zandt.

Het werk van het PWN wordt sinds 2006 steeds minder financieel gesteund door de Nederlandse Kerkprovincie. "We draaien nu volledig op fondsenwerving hoewel we nog steeds een kerkelijk instituut zijn. De overgang naar deze manier van werken is niet zonder slag of stoot gegaan, niet iedereen was het eens over de koers die gevaren moest worden. Dat heeft ook wel zijn sporen getrokken. Maar met de hulp van diverse fondsen hebben we ons werk kunnen voortzetten.

De realiteit van mensen die een reizend bestaan leiden

Op de vraag waarom pater Van der Zandt dit werk doet en wat hem gaande houdt antwoordt hij: 'Ach, je zou zeggen, wie anders doet het'. Maar dit praktische antwoord volstaat niet. 'Ik heb eerst landbouwkunde gestudeerd en ging pas op latere leeftijd theologie studeren. Ik wilde eigenlijk naar de Filippijnen om daar theologie te studeren maar dat lukte niet. Toen ben ik naar Australië gegaan, studeerde daar theologie en bestudeerde de Aboriginals. Zo volgde ik er ook een cursus over de inculturatie van het christendom en bezocht ik de eilanden en leerde daar pas echt goed de cultuur van de Aboriginals kennen. Eenmaal priester gewijd heb ik lange tijd op Irian Jaya gezeten, het voormalige Papoea Nieuw-Guinea. Ik kreeg daar echter last van mijn ogen en moest terug naar Nederland. Daar ben ik eigenlijk direct in dit werk terecht gekomen. Het bracht me in een situatie die enigszins overeenkwam met de ervaringen die ik had opgedaan. Werken en denken met/vanuit verschillende culturen, de spanning tussen structuur en vrijheid en de realiteit van mensen die een reizend bestaan leiden. Doordat ik juist daarin ervaring had opgedaan kan ik mensen die vanuit verschillende perspectieven met deze bevolkingsgroepen te maken hebben ondersteunen, welzijnswerkers, parochiemedewerkers, maar ook de mensen zelf.

Verder merk ik bij mijzelf zo langzamerhand dat ik niet meer goed kan aarden in het gewone parochieleven, ik mis de spontaniteit, het gevoelsmatige. Veel parochies zijn opgesloten in hun eigen structuren, het leven lijkt er vaak uit. Ik geloof dat het een grote bijdrage aan de Kerk zou leveren wanneer priesterstudenten gedurende hun opleiding een jaar zouden meelopen met missionarissen in bijvoorbeeld Afrika. Ze leren dan dat de structuren zoals wij die kennen ook een zekere mate van relativiteit in zich dragen. Dat er meer is en dat het ook anders kan'.

Op de vraag wat pater Van der Zandt de mensen voor wie hij werkt toewenst, wanneer hij vrij mag dromen blijft zijn antwoord geen moment uit: "Vrijheid! Er is zoveel angst onder de mensen, met name onder de Sinti. De ervaringen die zij hebben opgedaan zijn niet goed verwerkt. Met zo iemand als Wilders of met de gebeurtenissen in Oostenrijk destijds wakkert die angst weer aan. Die zit diep geworteld. Ook bij de Roma overheerst die angst. Bij de woonwagenbewoners is de angst anders geaard, daar gaat het om de angst opgeslokt en ingekapseld te worden door de samenleving, de eigen identiteit te verliezen. Dat is ook een diepgaande angst die mensen van zichzelf vervreemdt. Basiswaarden als vriendschap, onbevangenheid, ongecompliceerdheid, leven van de natuur, van groeikracht en geestkracht, angst om dat te verliezen, die overheerst. Wanneer ik vrij mag dromen, ja dan wens ik dat die vrijheid voor hen allen behouden blijft."

 

kruiswegpark

 

Meer lezen?

Lees artikelen uit Samen! Het Magazine Woonwagenbewoners, Sinti en Roma

Samen!, jrg.7, nr.3, 2005
Familieleven...Nog dagelijks koffiedrinken bij je ouders, dat blijft!

Samen!, jrg.7, nr.5, 2005
Geloof doorgeven...Een gedicht over God gaat haar gemakkelijk af

Samen!, jrg.7, nr.3, 2005

Eerste communie...Zingen en vieren in je eigen kerkje